Omdat je nooit weet wanneer je het nodig gaat hebben

Een, twee, drie – magie!

Ondanks de ietwat kinderachtige titel is dit wel degelijk een handige manier om een literair trucje te onthouden. (Je hebt het nu al onthouden: 1, 2, 3 – magie!) In dit artikel leg ik dit trucje uit.

Het heeft alles te maken met hoe ik lang geleden heb geleerd om tegen “flow” en “ritme” van een tekst aan te kijken. Vroeger, als klein kind, begon ik veel verhalen met een proloog bestaande uit één alinea van een handjevol knoerdlange zinnen. Ik kreeg het commentaar (van ouders, vrienden, leraren, een stel engelen en een baby in een kribbe) dat de zinnen te lang waren. Véél te lang zelfs.

Dus wat deed ik? Alles kort! Super kort! Minimalistisch. Snel. Voor je het weet. Is het voorbij. Henk vecht. Henk verslaat. Einde verhaal.

Dat werkte natuurlijk ook niet. Maar hoe dan wel?

De Drie-eenheid

Het antwoord kwam tot mij in de vorm van de heilige drie-eenheid: mensen vinden het fijn als dingen in paren van drie komen.

Een opsomming is het liefst een drietal. Vergelijk “hij was lelijk en arrogant” met “hij was lelijk, arrogant, en bovendien een kikker”.

Een repetitie is het liefst een drietal. Vergelijk “hij kwam, zag, en overwon” met “hij kwam, hij zag, hij overwon”.

Sterker nog, de meeste verhalen hangen een drie-akte structuur aan: begin, midden, eind.

(Hetzelfde is natuurlijk waar op microniveau: als jij een paragraaf schrijft waarin je karakter ergens over nadenkt, begin je met de gedachte, schrijft je een midden met alle overwegingen, en eindig je met de conclusie.)

Dat betekent niet dat alles een drietal moet zijn, of dat alles het beste is als drietal. Maar het is een algemene regel die overal terugkomt, omdat het voor ons – mensen – nou eenmaal fijn werkt. Een opsomming van vier of meer dingen wordt een lijst, een opsomming van twee dingen wordt gezien als vergelijking. (Een opsomming van één ding is geen opsomming. Of wel? Filosofisch vraagstuk numero één.)

Dus drie is perfect.

Variatie

Dit is fijn om te weten, maar niet toepasbaar op de meeste teksten. Als jouw hoofdpersonage nou eenmaal maar één of twee dingen doet, moet je daar niet steeds drie van maken om het te laten passen. (“Henk liep naar de kast.” Nee, dat is niet goed, laten we het uitbreiden! “Henk zette de ene voet voor de ander, dan weer de ander voor de ene, en liep zo naar de kast.” Veeeeel beter.)

Dus we moeten het variëren. We moeten niet altijd een drie-eenheid gebruiken, maar er naartoe opbouwen door middel van kortere zinnen. Deze zou je een “een-eenheid” en “twee-eenheid” zin kunnen noemen. (Of een “1-zin” en “2-zin”.) De drie-eenheid is onze ideale zin, maar we kunnen hem slechts eens in de zoveel tijd gebruiken.

Wat bedoel je daarmee? De definitie is een beetje losjes, maar intuïtief wel te begrijpen.

  • “Een-eenheid”: een standaardzin, zonder bijzinnen of bijzondere constructies.
    • “Henk stond te praten met Ingrid.”
    • “Ingrid was niet gediend van Henks taalgebruik.”
    • “Maar zonder zijn scheldwoorden was hij best een prima vent.”
  • “Twee-eenheid”: een standaardzin met maximaal één bijzin of bijzondere constructie eraan vast.
    • “Henk stond te praten met Ingrid, maar zij was niet gediend van zijn taalgebruik.”
    • “Zonder zijn scheldwoorden was hij best een prima vent, maar vandaag had hij weer geen rem erop.”
    • “Ze mompelde een excuus en liep snel naar de deur.”
    • “Ingrid, die doorgaans helemaal geen asociaal persoon was, vertrok zonder iets te zeggen.”
  • “Drie-eenheid”: zoals net besproken, een zin met maximaal twee extra constructies.
    • “Ingrid stond te praten met Henk, maar was niet gediend van zijn taalgebruik en zocht zo snel mogelijk de deur op.”

De gouden regel is nu:

Bij het schrijven van een tekst moet je een gevarieerd patroon gebruiken van 1-zinnen, 2-zinnen en 3-zinnen.

Hoe dat patroon er precies uitziet hangt af van je persoonlijke stijl, voorkeur, en wat je wilt bereiken met een bepaalde passage. (Stel je wilt laten zien dat iemands hoofd een grote chaos van gedachten is. Dan kan dat het beste met lange zinnen die maar door blijven gaan, niet met een perfect logische staccato gedachtegang.)

De tweede gouden regel is:

Doorgaans wil je zoveel mogelijk 1-zinnen, iets minder 2-zinnen, en opbouwen naar de zeldzame 3-zin. (4-zinnen of hoger zijn dus voor steeds specialere gevallen.)

Opmerking: mijn eigen stijl gebruikt vooral korte zinnen. Maar, als je in een rustiger deel van een verhaal zit (met veel beschrijvingen), of in het algemeen een meer kabbelend verhaal schrijft (zoals een fantasy waarin een groep mensen door landschappen reist), zijn lange zinnen doorgaans de beste keuze. In dat geval werk je niet van onder naar de 3-zin, maar van boven. (Veel 4-zinnen en 5-zinnen, die soms even uitmonden in een 3-zin.)

Opmerking: ik merk dit bij mezelf ook (afhankelijk van welk genre ik schrijf). Als ik fantasy schrijf is mijn gemiddelde zin aanzienlijk langer.  (Want je kunt niet zeggen “en toen toverde hij dit” zonder uit te leggen wat de regels zijn en hoe dat eruit ziet. Je kunt bijvoorbeeld ook niet zeggen “en zo kwamen ze aan bij de poorten van Klapperdam”, zonder uit te leggen hoe die eruitzien, of wat Klapperdam in vredesnaam voorstelt.) Als ik een roman schrijf worden de zinnen automatisch korter, en neemt dialoog ook een groter deel van het verhaal in.

Voorbeelden

Om een praktijkvoorbeeld te geven: een bewerking van onderstaand verhaaltje. (Wat overigens een heel slecht verhaaltje is, maar ik moest iets verzinnen.)

Geen flow (alleen maar 1-zinnen): Henk had geen zin in sport. Hij was moe. Hij had hard gewerkt. Hij wilde goed eten. Daarna wilde hij gaan slapen. Hopelijk was hij morgen niet meer moe. Dan reed hij opnieuw langs de sportschool.

Wel flow (1, 1, 3, 2): Henk had helemaal geen zin in sport. Hij was moe. Hij had hard gewerkt en wilde niets anders dan goed eten en daarna meteen naar bed. Morgen zou hij hopelijk frisser ontwaken en opnieuw langs de sportschool rijden.

Oké dan, nog een voorbeeld vanuit de andere hoek. (Hoewel het stukje hieronder een actiescène is, waarin de regels net wat anders kunnen zijn.)

Geen flow (alleen maar 3-zinnen): Ingrid rende de hoek om, gooide haar jas uit, en keek snel achterom. Haar belager zat haar vlak op de hielen, maar ze had vroeger op atletiek gezeten en wist echt wel hoe ze hard moest rennen. Ze sloeg nog een hoek om, trok tijdens het rennen haar oorbellen uit, en gooide ze in de container naast haar. Geen bewijs achterlaten, dat was wel zo verstandig, maar het was niet haar hoofdprioriteit nu de belager grond leek te winnen.

Wel flow (1, 2, 1, 2, 1, 3, 2, 2): Ingrid rende de hoek om. Ze gooide haar jas uit en keek snel achterom. Haar belager zat haar vlak op de hielen. Gelukkig had ze vroeger op atletiek gezeten en onthouden hoe ze hard moest rennen. Ze sloeg nog een hoek om. Een nauw steegje gaf haar de perfecte kans haar oorbellen ongezien weg te gooien in een container. Geen bewijs achterlaten, dat was wel zo verstandig. Toch moest ze het nu even uit haar hoofd zetten: haar belager leek grond te winnen.

Is dat alles?

Ja en nee.

Er zijn natuurlijk nog veel meer trucjes, ideeën over ritme en metrum, stijlfiguren, etc. Maar als we teruggaan naar de kern van het probleem “flow”, beantwoordt dit trucje vrijwel al mijn vragen. Dus ik hoop dat het jou ook helpt bij het schrijven. Onthoudt: flow krijg je door op of af te bouwen naar de bevredigende 3-zin.

 

Er zijn (nog) geen reacties.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *