Omdat je nooit weet wanneer je het nodig gaat hebben

Hoe maak je een prentenboek?

Onlangs heb ik mijn tweede prentenboek in eigen beheer uitgegeven!

Aangezien mijn boeken steeds meer verkeer trekken, en ik van plan ben nog véél meer prentenboeken te maken, leek het me leuk om een keer uit te leggen hoe dat in zijn werk gaat.

Ik zal vaak voorbeelden geven uit dat tweede prentenboek, De Konijnenklas. Bezoek mijn Boeken pagina voor het gehele overzicht, want inmiddels zijn het al meer prentenboeken geworden.

Dit is geen “perfecte” handleiding: het is simpelweg een overzicht van hoe ik dit prentenboek in elkaar heb gezet en wat ik heb geleerd. Wat kan je het beste wel doen? Wat zeker niet? In welke volgorde? Welke programma’s gebruik ik?

Waar heb ik nog moeite mee en zal ik in de toekomst anders proberen te doen? (Want twee prentenboeken is niet bepaald een groot repertoire.)

Ik leg het allemaal uit!

Stap 1: het grote idee

Ik begin graag projecten met een simpel “kernidee”. Waar gaat het boek over? Wat is de boodschap?

Wat is de “truc” die nieuwe lezers aantrekt en ervoor zorgt dat je het boek onthoudt?

Mijn eerste boek had als kernidee: het is een keuzeverhaal waarbij je op reis gaat door de grote steden van Europa, op zoek naar de vader van de hoofdpersoon. Een keuzeverhaal is iets bijzonders, iets nieuws. De reis door Europa zorgt voor een duidelijke rode draad.

Mijn tweede boek had als kernidee: het is een avontuur met een dubbele laag over school en onderwijs, waarbij aan het eind van elk hoofdstuk een konijntje verdwijnt. Het verdwijnen zorgt voor spanning, een vraag die aan het einde wordt opgelost. De dubbele laag maakt het verhaal betekenisvol en leuk voor zowel de kinderen als de persoon die het boek voorleest.

Zo’n kernidee is heel vaag. Het zegt niks over de inhoud, over hoe het begint of afloopt. Je moet immers het hele boek nog maken.

Maar het is een soort kapstok waaraan je alles kan ophangen, terwijl je al vroeg weet waarom mensen je boek zouden moeten lezen.

Is dat echt zo belangrijk? Ja! Die eerste indruk is essentieel. Mensen moeten je boek zien en denken “ah, wat een interessant concept, ik wil meer weten” Dit kan alleen als het boek op alle manieren een heel simpel idee uitstraalt. Want als je het te moeilijk maakt, of je stuurt gemixte signalen, dan gaat het mis.

Ik zal toegeven dat ik hier zelf ook nog in kan verbeteren. Met elk boek leer ik weer iets meer hoe belangrijk dit is.

Inmiddels is ook mijn derde prentenboek uit: Vierkante Ogre. Het kernidee van dit boek was: het is een interactief prentenboek over een Ogre met vierkante ogen, die probeert zijn zicht te verbeteren om de uitgang van de grot te vinden. Hoofdpersonage, doel, conflict, en iets bijzonders ( = het interactieve). De heilige vier-eenheid :p

Stap 2: het formaat

Het is verleidelijk om meteen te gaan schrijven, of tekenen, of iets proberen. Ik kan het weten. Ik hou niet zo van plannen en organiseren, ik ben meer iemand die improviseert.

Maar een klein beetje planning is broodnodig.

Waarom? Omdat prentenboeken bepaalde restricties leggen op je verhaal. Het kan niet te lang zijn. Het kan niet te veel tekst hebben: een deel van de informatie moet worden verteld met plaatjes. Je moet een bepaalde paginagrootte kiezen.

Als je niet weet waar je ongeveer op richt, loopt het snel uit de hand en verspil je veel tijd met iets maken dat niet te lezen of verkopen is.

Dus, waar moet je op letten? Welke vragen moet je beantwoorden?

Groot Formaat

Prentenboeken hebben doorgaans grotere pagina’s. Dat is makkelijker vast te pakken en levert grotere plaatjes op. Ook is een hardcover gewild, maar dat is erg duur en soms alleen mogelijk als je véél pagina’s hebt.

Leesbaar Lettertype

Het liefst een lekker groot en leesbaar lettertype. Het is heel verleidelijk om een meer “bijzonder” lettertype te pakken, of om het kleiner te maken zodat er meer op de pagina past, maar doe het niet. Leesbaarheid staat voorop, voor zowel de ouder als het kind dat misschien nog niet alle letters even machtig is.

Invulling van de pagina

Wil je plaatjes die de volledige pagina bedekken, of slechts plaatjes tussen de tekst? Het eerste geval is véél meer werk, maar stelt je in staat om grote landschappen te tekenen en de tekst mooi te verweven met het verhaal. In het tweede geval wordt het meer een verhaal dat “ondersteunt” wordt door hier en daar een plaatje.

Je hebt ook een soort “tussenvorm” van prentenboeken (die ik even prentenromans ga noemen), waarbij je een normaal verhaal pakt en slechts hier en daar plaatjes toevoegt. Vaak zijn deze boeken zo’n 100 pagina’s en zijn de plaatjes zwart-wit cartoons.

Zowel prentenboeken (10-30 pagina’s) als prentenromans zijn prima … maar je moet wel weten welke van de twee je aan het maken bent.

Poëzie of Proza?

Schrijf je het verhaal als rijmende verzen, of alsof het een normaal boek is met losse zinnen?

Rijm is een makkelijke manier om een verhaal vloeiend te laten lopen en een ritme te geven. Bovendien zorgt het ervoor dat je de inhoud makkelijker onthoudt.

Maar het is ook moeilijker om te schrijven, maakt je script langer, en kan al snel een beetje “gezocht” overkomen.

Hoeveelheid (kleuren)pagina’s

Natuurlijk wil je het boek “precies zo lang maken als nodig”. Maar de werkelijkheid is dat een kort boek (<10 pagina’s) niet te verkopen is en een slechte indruk achterlaat (“tien euro voor iets met maar tien pagina’s? echt niet!”). En een te lang boek (>30 pagina’s) kent hetzelfde probleem (“moet ik dat allemaal gaan voorlezen? dacht het niet!”)

Bovendien gaat de prijs al snel omhoog bij kleurenpagina’s. Een boek met té veel pagina’s wordt al snel te duur.

Als je zo’n prentenroman maakt, en alles in zwart-wit doet, is dat natuurlijk geen probleem. Voor de printer is er geen verschil tussen een pagina vol zwarte letters en eentje vol zwarte strepen uit een tekening.

Stap 3: het script

Als het goed is heb je nu twee belangrijke kapstokjes voor je project:

  • Je hebt een beeld van de invulling van je boek. Je weet ongeveer hoe lang het mag zijn, hoe veel tekst je hebt, en waar de plaatjes komen.
  • Je hebt een kernidee dat bepaalt hoe het verhaal gaat en hoe het eruit ziet.

Dan is het tijd om het script te schrijven!

Sommige mensen vinden het fijner om te beginnen met schetsen. Tekeningen van het hoofdpersonage, locaties waar ze misschien naartoe willen, dat soort dingen. Dit is ook helemaal prima in mijn ogen. Tekst en plaatjes hebben veel invloed op elkaar in een prentenboek.

Hoewel ik weet dat het de gewoonte is, in de industrie, om éérst het hele script te schrijven en dan pas een illustrator te vinden voor alle tekeningen. Sommige uitgeverijen verbieden zelfs dat je alles zelf doet: ze accepteren alleen een manuscript en willen zelf de prenten regelen.

Persoonlijk doe ik ook eerst het script, maar met een andere reden: ik kan veel beter schrijven dan tekenen. Het gaat gewoon makkelijker in deze volgorde. Als ik een paar pagina’s schrijf die uiteindelijk niks worden, kan ik het in vijf minuten weghalen en iets nieuws schrijven. Als ik iets teken dat uiteindelijk nergens op lijkt, kost het me een paar uur om iets nieuws te maken.

Hoe schrijf je een script? Maakt niet uit!

Veel mensen zoeken eindeloos naar de beste “schrijfsoftware”, of een soort plan dat altijd een goed verhaal zou moeten opleveren, maar dat is slechts een verspilling van energie. Ik heb scripts geschreven in Word, in Google Docs, in Notepad, met de hand, het maakt allemaal niet uit.

Kies de software waarmee je het meest comfortabel bent en … schrijf. Hoe vaker je het doet, hoe makkelijker het is om de juiste keuzes te maken, op “gevoel” iets te schrijven dat loopt en klopt.

Dit zijn wel enkele wijsheden die ik heb geleerd:

Verdeel in pagina’s, niet hoofdstukken

Het is een prentenboek. Het heeft geen zin om een cliffhanger te schrijven, als het plaatje op diezelfde pagina al het antwoord verraadt.

Ik schrijf vaak in verzen van 4 korte regels en geef elke pagina 1-3 van die verzen. Meer dan dat vind ik te vol. Dan beschrijf je meerdere scenes op dezelfde pagina en moet je “kiezen” welke je illustreert en welke niet.

Verdeel het script in pagina’s en zorg voor één scene, één handeling, één duidelijk plaatje.

Zodoende krijg je ook direct een overzicht van de lengte van je boek. Je hebt altijd minder woorden dan je denkt. Nogmaals: hoe vaker je het doet, hoe makkelijker je aanvoelt “hé, dit is het moment om het verhaal te gaan afronden”

Kinderen houden van herhaling, maar ga niet te ver

Dit is waarom dat “kernidee” zo belangrijk is. Als je dit idee eens in de paar pagina’s laat terugkomen, krijgt het verhaal samenhang en voelt het “veilig” en “herkenbaar” voor de kinderen. Als dit patroon eenmaal is opgebouwd, kunnen ze alvast voorspellen wat er gaat gebeuren.

In elke scène probeert de hoofdpersoon een andere manier om tegen een meisje te vertellen dat hij haar leuk vindt. Na een paar scenes, hebben kinderen dit ook door, en zijn ze benieuwd: “oeh, wat verzint hij de volgende keer?” of “oeh, wanneer gaat het eens lukken?”

Dit betekent, echter, niet dat je één scene kan schrijven en die tien keer herhalen. Er moet altijd een verandering zijn, een avontuur, iets waar je naartoe werkt. Kinderen zijn niet dom.

In verhalen noemen ze dit vaak “rising tension”. Je kan best elke scene die hoofdpersoon laten proberen z’n liefde te verklaren … maar elke keer moet er wel een extra obstakel komen, een verandering, extra spanning.

En uiteindelijk, natuurlijk, komt alles samen in een “climax” op het einde.

Kies een stijl: opvoedkundig of romantisch.

Ik heb gemerkt dat deze niet goed samen kunnen, maar misschien ben jij de eerste die het doet.

Sommige prentenboeken zijn opvoedkundig: ze willen het kind leren over goed gedrag of de juiste mening. (Zoals opkomen voor zichzelf of je best doen voor school of je rommel opruimen.)

Andere zijn romantisch: ze vertellen slechts een avontuur, iets bijzonders, een spannende fantasie waarin het kind zich kan verliezen. Er kan best een emotionele laag zijn, maar die staat meer op de achtergrond.

Ik kies eigenlijk altijd voor het tweede.

Ik wil kinderen niet vertellen wat ze moeten doen of welke regels ze moeten volgen. Als ik het probeer, klinkt het al snel “stom” en geloof ik het zelf niet eens. Bovendien, wie ben ik om te denken dat ik de wijsheid in pacht heb?

Nee, ik wil ze een wonderlijk verhaal geven, iets om over te dromen, iets om zelf over na te denken.

Een dubbele laag

Prentenboeken worden voorgelezen. Maak het ook leuk voor die persoon die het voorleest en je boek zal véél vaker tevoorschijn worden gehaald.

Daarnaast moet het ook leuk zijn voor jezelf. Ik kan mezelf niet motiveren voor een project als het niks bijzonders zegt, als het geen betekenis heeft.

Zo’n dubbele laag zal aan de meeste kinderen voorbij vliegen. En dat is prima. De kunst is om een verhaal te maken dat op zichzelf leuk is, maar ook iets extras zegt voor wie er iets langer naar kijkt.

Mijn tweede boek (De Konijnenklas) gaat over de zoektocht van Meester Od naar de passievrucht. Voor kinderen is het een avontuur door een wonderlijk landschap naar een magische vrucht.

Maar tijdens het verhaal behandel ik het thema van onderwijs, van passie voor lesgeven, van het belang van dingen leren en waarvoor je ze gebruikt. Als ze aankomen bij de “Werkdrukwaterval” of de “Sleurvallei”, weten de volwassenen echt wel waar dat op slaat.

Mijn derde boek (Vierkante Ogre) gaat dus over zorgen voor je ogen. Enerzijds is het gewoon een avontuur door bijzondere grotten, terwijl Ogre probeert de uitgang te vinden en de “vloek” te begrijpen.

Maar anderzijds laten de puzzels, en uitspraken van bepaalde personen, en de behandelde verhaallijnen constant (subtiel) zien dat je niet te veel achter schermen moet zitten en je ogen rust moet geven.

Maar, zo’n dubbele laag klinkt nogal alsof je toch opvoedkundig probeert te zijn? Nee, het verschil zit ‘m dus in het feit dat het een dubbele laag is, in plaats van dat dit het hoofdverhaal betreft. De extra wijsheden zitten in het verhaal, maar liggen er niet dik bovenop, en zijn vooral om iets te geven om over na te denken, om het “meer dan alleen een verhaal” te maken.

Het is lastig, dat geef ik toe. Het is in mijn ogen één van de grootste problemen van een samenleving: hoe maak je van iedereen een kritische denker die verschillende perspectieven ziet … zonder die perspectieven op te dringen of bijv. te focussen op één daarvan? Maar dat is een héél ander onderwerp.

Stap 4: de plaatjes

Hier geldt, voor het grootste deel, hetzelfde als bij het schrijven van het script.

Oefening baart kunst

Ten eerste: hoe vaker je het doet, hoe beter je erin wordt. Ik heb bij vorige projecten (zoals bordspellen die ik teken) meerdere keren een dag lang getekend … om het vervolgens allemaal weg te gooien, want het was te slecht. Op dat moment ben je een beetje geïrriteerd, maar uiteindelijk groei je erdoor.

Dus dwing jezelf niet om in één keer die perfecte tekening te maken, of het perfecte ontwerp van de hoofdpersoon. Maak een paar schetsen. Probeer iets uit. Laat het een paar dagen liggen als je gefrustreerd raakt.

Dit is het probleem de kunstenaar. Tegen de tijd dat je de laatste tekeningen maakt van het project … ben je zoveel verbeterd dat de eerste tekeningen in jouw ogen “slecht” zijn. Maar als je aan dat gevoel toegeeft, blijf je voor eeuwig dingen opnieuw tekenen en perfectioneren. Op een gegeven moment moet je zeggen: het is goed zo, het boek is af, ik ga het uitgeven.

Software is niet belangrijk

Ten tweede: de software maakt niet uit.

Ik heb over de jaren minstens tien verschillende programma’s gebruikt om te tekenen en ontwerpen. Bij elk project probeerde ik iets nieuws, want het vorige programma was het toch “net niet”.

Maar dat was verspilde tijd. In die tijd had ik ook mijn tekenvaardigheden kunnen verbeteren, in plaats van steeds weer een nieuwe interface leren met nieuwe knopjes. (Ik zal dadelijk uitleggen welke “workflow” ik gebruikte voor mijn laatste boek)

Wat maakt wel uit?

Ten eerste je hardware. Plaatjes voor een prentenboek moeten een hele hoge resolutie hebben, dus je hebt een apparaat nodig dat dit makkelijk aankan.

Daarnaast moet je een manier hebben om digitaal te tekenen. Sommige tekenen met de hand, scannen het dan in (waarvoor je een goede scanner nodig hebt!), en verbeteren waar nodig de lijnen op de computer. Andere, zoals ik, tekenen volledig digitaal.

Wat je ook doet, je zal toch iets van een tekentablet nodig hebben. Geloof me, met je muis op de computer tekenen is onbegonnen werk. Zelfs als je de tekening hebt ingescand en slechts kleine verbeteringen wilt doorvoeren.

Ik had vroeger een tablet die je via een USB-kabel aansluit op je computer. Hoewel die redelijk goedkoop zijn en prima werken, was het niet ideaal. Je moest kijken naar je scherm, terwijl je tekende op een vierkant dat schuin voor je computer lag.

Ik raad dan ook zeker aan om een tablet te kopen waar je direct op kan tekenen. Dat is veel natuurlijker en sneller. Ik heb zelf eentje die een volwaardige computer is, maar je hebt voor een paar honderd euro al een hele simpele die je alleen voor tekenen kan gebruiken.

Ten tweede maakt je gezondheid uit. Illustreren is fysiek werk. Als je dat lange tijd wil doen, als je precies wilt zijn met je lijnen, moet je een goede houding hebben en sterke schouders. Ik heb jarenlang niet of nauwelijks iets met tekenen gedaan omdat het gewoon pijn deed en mijn arm snel oververmoeid raakte. Dat was erg jammer. Nu doe ik al jarenlang oefeningen voor mijn bovenrug en kan ik met redelijk gemak een hele dag met precisie tekenen.

Workflow

Er is een terugkerend probleem in het leven van de prentenboekenmaker:

Tekenprogramma’s hebben geen zin in tekstverwerking … en lay-outprogramma’s hebben geen zin in tekenen.

Uiteindelijk besloot ik dus om die twee stappen te splitsen. Dat ziet er als volgt uit:

  • Ik gebruik Affinity Designer (betaald) om de tekst op de pagina te zetten (juiste lettertype, juiste grootte, etcetera). Ik gebruik diens Brush tool om daaromheen een ruwe schets te maken van de compositie. Dit ziet er lelijk uit — het is echt een héle ruwe schets — maar zorgt ervoor dat ik weet waar en wat ik wil tekenen op de pagina. Als ik klaar ben, exporteer ik deze “schetsen” naar een folder.
  • Dan ga ik naar Krita (gratis, open source). Ik open de “schets” en ga hem daadwerkelijk tekenen. Echter, ik doe alleen het lijnwerk in zwart-wit.
  • Als ik die tekeningen af heb, stop ik ze terug in Affinity Designer en plak het achter de tekst. Nu heb ik mijn prentenboek in zwart-wit, inclusief tekst, klaar om te printen.
  • Print het en check hoe het eruit ziet. Dit is belangrijk! De realiteit is altijd anders dan je scherm. Hier kan je zien of alles klopt wanneer het op papier staat en wanneer je het boek daadwerkelijk leest.*
  • Ga terug naar Krita. Maak de nodige aanpassingen in het lijnwerk en kleur dan alles in.
  • Als dit af is, plak je de gekleurde pagina’s weer achter de tekst in Designer, en je bent klaar! (Designer kan, net als andere programma’s van diens soort, direct alles exporteren als een PDF met de juiste pagina’s op de juiste grootte.)

*Zo kom je erachter dat sommige tekst te dicht bij de rand staat, of dat het in de praktijk makkelijk is om over een bepaalde zin heen te lezen.

Hoewel dit enkele vervelende tussenstappen heeft — waarbij je switcht tussen twee programma’s — geeft dit mij de meeste vrijheid en controle.

Designer is héél goed in, zoals je al verwacht, pagina’s designen en met tekst werken. In het tekenprogramma kan ik dat allemaal negeren en naar hartelust tekenen en verven. Als je het uiteindelijk samenvoegt, klopt alles meteen.

Ik heb een zwart-wit print nodig? Prima, ik verhul even alle kleurenplaatjes.

Ik wil op het laatst extra decoratieve elementen toevoegen, of extra pagina’s met een “voorwoord” of iets dergelijks? Prima, Designer is daarvoor geschikt.

Bovendien is het minder zwaar voor de computer, want je hebt het plaatje gesplitst in meerdere bestanden.

Stap 5: het tekenproces zelf

Oké, dit was heel veel technische praat.

Hoe gaat het tekenproces zelf? Hoe vertaal je een gedachte, een verhaal, naar passende plaatjes in een prentenboek?

Tja, dat is de million dollar question. Ik kan je niet stap-voor-stap uitleggen hoe dat gaat, en dat moet je ook helemaal niet willen.

Ik kan alleen uitleggen hoe ik het aanpak.

Is dit plaatje echt nodig?

Ten eerste: stel jezelf de vraag “is dit plaatje echt nodig?”

Als de tekst iets al helemaal beschrijft … waarom zou je dan nog een plaatje toevoegen?

Als het plaatje slechts een stilstaand landschap is … waarom zou dat interessant zijn?

Het liefst wil je plaatjes die iets van actie weergeven. Iets dat spannend is, of grappig, of nieuwe informatie geeft. Iets dat onverwacht is en niet geheel uit de tekst te halen valt.

De tekst zegt misschien simpelweg “Eva liep de enge kamer in”. Het is dan aan de tekening om dit kracht bij te zetten, door allerlei enge dingen in de kamer te plaatsen, het bange gezicht van Eva te laten zien, en een cliffhanger toe te voegen (zoals twee mysterieuze ogen die ineens achter haar opduiken).

Ik moet toegeven dat dit lastig is. Sommige dingen die ik in dit artikel schrijf, heb ik pas echt geleerd ná het maken van deze prentenboeken. En dat is oké. Ik stel voor dat je eerst überhaupt leert tekenen en plaatjes produceren. Pas daarna kan je bezig gaan met deze tekeningen zo effectief mogelijk maken.

Maar die vraag is een hele simpele om altijd te stellen: wat voegt dit plaatje toe? En als het niks toevoegt, moet je ofwel het plaatje, ofwel de tekst veranderen.

Visuele identiteit

Ten tweede: bepaal een visuele identiteit voordat je begint. Dit is enigszins subjectief, want ik ben zelf nou eenmaal een groot fan van verschillende “tekenstijlen”. Ik probeer haast obsessief bij elk project te zorgen dat het er anders uitziet.

Maar het kan nooit kwaad om die identeit vast te leggen. Denk aan:

  • Een mooi en passend kleurenschema. Dit zorgt voor samenhang en sfeer in je boek. (Dan moet je natuurlijk wel netjes het schema volgen en alleen die kleuren gebruiken.)
  • Terugkerende patroontjes. Deze hoeven niet eens iets te betekenen, maar ze zorgen voor samenhang en een duidelijke stijl.*
  • Geef je dingen een “outline” (dus een dikke zwarte rand eromheen), of gebruik je slechts gekleurde vlakken?
  • Gebruik je lieve zachte kleuren, of zorg je voor harder contrast?
  • Is je stijl realistisch, cartoony, minimalistisch, of iets ertussenin?
  • Teken je dingen in goed perspectief, of neem je liever een versimpelde (zij)weergave?
  • Zijn er dingen die je benadrukt? (Zoals hoofden die extra groot zijn, of schoenen in allerlei felle kleuren, wat dan ook past bij je verhaal.)
  • Hoe teken je bepaalde elementen die vaak terugkomen, zoals gezichten (ogen, oren, neus, haar), of misschien grassprieten en bomen?

*In de bekende cartoonserie Phineas & Ferb hebben de hoofdpersonages een driehoekig en rechthoekig hoofd. Als je goed kijkt, zie je in alle tekeningen deze vormen terugkomen => patroontje!

*In mijn eigen bordspel One Pizza the Puzzle gebruik ik overal subtiel drie “rondjes” die dicht bij elkaar staan.

*In mijn tweede boek (De Konijnenklas, nog steeds) besloot ik om onder elke hoofdstuktitel twee strepen te zetten met een kleine tekening die iets onthult over dat hoofdstuk.

Vind een identiteit die je leuk lijkt en houd je daar te allen tijde aan. Dit voelt misschien als een onnodige restrictie, maar het zorgt juist voor meer creativiteit en meer zekerheid in de plaatjes.

Wat maakt dit medium uniek?

Met elk project leer ik meer het belang van focussen op het medium dat je gebruikt.

Oftewel: wat kan een prentenboek heel goed, dat andere media niet of nauwelijks kunnen?

En dan kom je dus op dingen zoals tekenstijl. Je kunt een verhaal tot leven laten komen, een hele extra dimensie geven, gewoon door een unieke stijl te kiezen waarin je alles tekent.

Je kunt visuele grapjes uithalen of juist non-verbale spannig oproepen.

Als je in het laatste plaatje ineens het touw waaraan het hoofdpersonage hangt laat knappen … wil de lezer de pagina echt wel omslaan. Veel effectiever dan schrijven: “En toen knapte ineens zijn touw! Oh nee!”

Ik heb wel eens een prent gemaakt waar in de achtergrond iemand tegen iets aanliep, of een ander personage verscheen (als een soort easter egg) — zonder dat de tekst hier ook maar íets over zei!

Maar bovenal kan je een wereld en een personage neerzetten door hoe ze naar dingen kijken.

In Vierkante Ogre is de eerste pagina van elk hoofdstuk opgebouwd uit veelhoeken. Het begint met driehoeken, maar even later bestaat alles uit vierhoeken, enzovoort.

Waarom? Nou, omdat je op die pagina’s kijkt vanuit de ogen van de Ogre en hij ziet de wereld wazig en hoekig. Maar tijdens het verhaal verbetert zijn zicht langzaamaan. Door de plaatjes hierop aan te passen, ga je extra mee in de belevingswereld van de hoofdpersoon.

Een praktijkvoorbeeld

Voor het boek met de konijnen, begon ik met de kaart van de wereld en tekeningen van alle personages in de klas.

Waarom? Beide had ik het hele boek nodig.

De kaart zorgde ervoor dat ik wist hoe elke locatie ongeveer werkte. Ik moest het terrein bepalen, de ligging, wat je in de verte kon zien, hoe groot het ongeveer was, etcetera. Terwijl ik de rest van het boek maakte, hoefde ik slechts die kaart regelmatig te bekijken om alles kloppend te maken.

De personages kwamen natuurlijk op elke pagina voor, in verschillende houdingen. Ik heb geprobeerd elk personage een stuk of 3-5 unieke onderscheidende eigenschappen te geven. Die heb ik ook opgeschreven om hen heen (met pijltjes om te wijzen naar wat ik bedoel) — dat doe ik graag. Wederom kon ik de rest van het boek simpelweg deze “gids” raadplegen en zodoende consistent herkenbare personages tekenen.

Pas toen ik dit wist, begon ik de rest van het verhaal te tekenen. En dat ging vrij vlekkeloos, als je zo’n duidelijke gids hebt om je te leiden.

Wel probeerde ik diversiteit aan te brengen in de plaatjes. Ik wilde niet twee pagina’s na elkaar op precies dezelfde locatie zijn, of op precies dezelfde plek een tekstvak neerzetten, of een personage in exact dezelfde houding tekenen.

Als je jezelf dwingt om steeds iets anders te doen, wordt het eindresultaat niet alleen beter, je groeit ook als illustrator.

Uiteindelijk heb ik de voorkant van het boek als allerlaatste getekend. Ook dat doe ik graag. Immers, hoe kan ik een passende voorkant tekenen … als de rest van het boek nog niet eens af is?

Toen al het lijnwerk af was, heb ik het geprint en daarna even laten rusten. Zo kan je nieuwe ideeën opdoen en even later met een frisse blik beginnen met het inkleuren. (Anders raak je al snel in een sleur en ben je niet zo creatief meer, is mijn ervaring.) Het inkleuren duurde significant langer dan het lijnwerk tekenen, maar dat komt ook omdat ik daar minder ervaring mee heb.

Praktische tips

Bleed: printers zijn niet perfect. Ze kunnen een plaatje soms nét wat scheef printen, of nét wat scheef afsnijden. Daarom is het belangrijk om elke tekening minstens 3mm te groot te maken aan alle kanten! Als er dan zo’n fout plaatsvindt, valt het niet op, want de tekening was groot genoeg.

Margin: boeken worden gebonden, wat betekent dat je in het midden van het boek veel ruimte verliest. (Want daar komen alle pagina’s samen en worden ze op elkaar gelijmd.)

Daarnaast is het lelijk als tekst, of belangrijke elementen, heel dicht tegen de rand van de pagina zitten.

Dus ik stel voor om altijd minstens 12,5 mm ruimte over te laten aan alle kanten, waarin je géén tekst of essentiele onderdelen zet.

Backup: veel mensen gooien dingen weg (als ze niet lukken, of niet goed genoeg zijn, of een oude versie zijn van een idee).

Niet doen! Sla het op, maak een backup, en ga dan door. Later zal je het misschien toch heel hard nodig hebben. Al is het maar om een artikel als deze te schrijven en je ruwe schetsen te laten zien :p

Begin sterk: wees het sterkst aan het begin, qua script en qua tekeningen. Marketingtechnisch heel handig, want iedereen beoordeelt je boek op de voorkant en de eerste paar pagina’s. Bovendien is een goed begin het halve werk: de rest van het boek krijgt dan een sterke fundering om op te bouwen.

Stap 6: afronden en uitgeven

Dit deel heeft eigenlijk niks meer met prentenboeken te maken.

Welk programma je ook gebruikt, je zal het werk moeten kunnen exporteren als PDF (inclusief bleed). Desnoods kan je later nog pagina’s toevoegen, of weghalen, of van volgorde wisselen. En die uiteindelijke PDF is alles wat je nodig hebt om het uit te geven.

Je kunt het boek zelf uitgeven. Dat heb ik tot nog toe gedaan, via Brave New Books en Mijn Bestseller. (Klik de links voor een uitleg en recensie.)

Je kunt je werk opsturen naar uitgeverijen. Echter, velen eisen dat je het per post stuurt (en dat is in dit geval best duur en veel werk) en doen veel tijd over het geven van een reactie. Vooralsnog vond ik het de moeite niet waard, maar dat kan best veranderen.

En zoals ik eerder al aanstipte: soms willen ze delen van het proces zelf doen, of binnenshuis houden, waardoor ze een volledig prentenboek niet eens accepteren.

Conclusie

Hopelijk geeft dit een idee van alle stappen, waarop je moet letten, en hoe ik het graag aanpak.

Misschien is het overweldigend. Misschien denk je “dit slaat nergens op” of “ik kan dit niet” of “ik weet niet eens hoe ik een PDF open”. En dat mag je denken.

Maar het belangrijkste is dat je prentenboeken blijft maken!

Het is ook niet “makkelijk”, maar als het je interesse heeft, of je hebt verhalen die er écht uit moeten, kan je (zonder uitgeverij, studie of geld) heel ver komen. (Kijk maar naar mij!)

Laat je niet tegenhouden door afwijzingen. Laat je niet tegenhouden als je eerste project er veel lelijker uitziet dan je had gehoopt, of het verhaal niet zo vernieuwend is.

Het feit dat je een prentenboek hebt gemaakt is al knap. En datzelfde prentenboek zal zorgen dat je volgende prentenboek nóg beter wordt. Als je niks had gedaan, was er zeker nooit iets gebeurd.

Ik ben, moet ik eerlijk zeggen, behoorlijk teleurgesteld over de stand van kinderboeken. Als ik even rondstruin — populaire prentenboeken een kans geef — zie ik vaak niets meer dan cliché verhalen, met matige tekeningen, die al voorbij zijn voordat ze interessant konden worden.

Men behandelt kinderen alsof ze achterlijk zijn. Alsof elk verhaal een belerende les moet zijn die binnen de kaders blijft, en enigszins moeilijke woorden hen ter plekke een hersenschudding zouden geven.

Ik denk dat het tijd is dat meer mensen opstaan om kinderboeken te maken. Mensen met frisse ideeën, die werken vanuit een ongelofelijke passie voor hun verhaal, die kinderen iets geven dat het waard is om veel te lezen.

Tot zover mijn opwindende speech. Zoals ik al zei: ga dat boek maken!

Er zijn (nog) geen reacties.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *