Omdat je nooit weet wanneer je het nodig gaat hebben

Muzikale Mode II

Eventjes geleden schreef ik over een extreem handig onderdeel van muziektheorie: modaliteit. De post is hier te vinden: Muzikale Mode

In deze post wilde ik daar nog wat meer over zeggen, omdat ik één belangrijk onderdeel nog niet echt had genoemd: toepassingen. Ik heb laten zien hoe je de verschillende modi maakt, en hoe je er akkoorden uithaalt, maar niet wat de eigenschappen en toepassingen zijn van elke modus.

Dat gaan we nu doen. (Om het makkelijk te houden, pas ik de modi toe op de toonsoort C.)

Karakteristieke Noten

Stel ik speel de noot Eb. Dan is niet duidelijk in welke modus we zitten, want er zijn 4 mogelijke modi met deze noot: Dorisch, Frygisch, Eolisch, en Locrisch.

Daarom is het aan te raden om altijd de karakteristieke noot van een modus te spelen. Deze noot, eventueel in combinatie met een tweede karakteristieke noot, zorgt ervoor dat de melodie duidelijk een bepaalde modus volgt.

P.S. De Ionische modus heeft, bij uitzondering, niet zo’n karakteristieke noot.

Ionisch

 

De alom bekende majeur toonsoort.

Deze toonsoort is handig vanwege twee redenen:

  • Hij is het makkelijkst om mee te werken.
  • De halve stap tussen de laatste noot (septiem) en grondtoon zorgt voor een automatisch patroon van spanning opbouwen en weer loslaten.

Deze modus zorgt voor positieve, vrolijke, onschuldige, optimistische nummers. Het wordt standaard gebruikt in pop-muziek, kindermuziek, en gospelmuziek.

Dorisch

 

Karakteristieke Noot: de sextet

De Dorische modus is een mengeling tussen majeur en mineur. De eerste noten vormen een mineur triade, maar de laatste noten zorgen voor een meer majeur gevoel.

Het heeft daarom deze twee eigenschappen:

  • Het klinkt melancholisch en droevig, maar ook lichter en positiever dan de mineur toonladder.
  • De laatste noot glijdt niet automatisch over naar de grondtoon, waardoor er een rusteloosheid en oneindig gevoel aan zit.

Deze modus wordt vooral gebruikt in folk, country, blues, bluegrass, en soortgelijke muziekstijlen.

Frygisch

 

Karakteristieke Noot: de (verlaagde) secunde

De Frygische modus is heel onduidelijk. De luisteraar weet niet zeker wat ze horen, en in welke richting het gaat. De verlaagde secunde is onverwacht, omdat vrijwel iedereen gewend is aan de hele stap uit zowel majeur als mineur toonladders.

Het heeft daarom deze eigenschappen:

  • Voelt als raar, mysterieus, gevaarlijk, spannend, bedreigend.
  • Tegelijkertijd is het niet koud of kil, maar heeft het een zekere warmte.

Vooral gebruikt in klassieke muziek of achtergrondmuziek voor andere media. (Ook staat het bekend als de Spaanse Gypsy toonladder.)

Lydisch

 

Karakteristieke Noot: de (verhoogde) kwart

De Lydische modus begint met een majeur triade, en eindigt ook majeur, maar de rare sprong rond de kwart maakt de toonladder verrassend en onverwacht.

Het heeft daarom de volgende eigenschappen:

  • Het geeft ongeveer hetzelfde geluid als de Ionische modus; vrolijk, pop, kinderlijk, etc.
  • Maar, de verhoogde kwart zorgt dat je op blijft letten en je nooit de melodie helemaal kunt voorspellen; kan het ook heel catchy maken.

Vooral gebruikt in Jazz, en korte melodieën gemaakt om catchy/herkenbaar/multi-functioneel te zijn.

P.S. Normaal gesproken wil de kwart altijd spanning opbouwen, en naar de kwint gaan, die deze spanning loslaat. In dit geval wil de kwart dit nog liever, en zorg dan ook dat je deze gebruikt.

Mixolydisch

 

Karakteristieke Noot: de (verlaagde) septiem

De Mixolydische modus heeft maar één noot verschillend van de Ionische modus: de verlaagde septiem. Net als de Lydische modus klinkt het daarom grotendeels als een majeur toonladder, maar geeft een onbekende resolutie die het vernieuwend en onverwacht houdt.

Het heeft daarom deze eigenschappen:

  • Geeft vrolijke/pop nummers een ruw randje.
  • Geeft, wanneer je de septiem gebruikt, hetzelfde gevoel van rusteloosheid als de Dorische modus.

Wordt veel gebruikt voor solo’s, improvisaties, en bridges. Meest voorkomend in rock en country nummers.

Eolisch

 

Karakteristieke Noot: de (verlaagde) sextet

De Eolische modus is niets anders dan de natuurlijke Mineur toonladder.

Het heeft deze bekende eigenschappen:

  • Klinkt verdrietig, hopeloos, alsof je wrok of spijt hebt. (Oftewel: het beginpunt van elk blues nummer.)
  • Geeft een gevoel van nostalgie; doet denken aan de muziek uit klassieke periodes (Renaissance tijdperk)

Gebruikt door zo’n beetje alle genres. Maar een van de meest succesvolle toepassingen is in de rock-muziek, omdat het in relatie staat tot de mineur pentatonische toonladder, die goed is voor solo’s en alles.

Locrisch

 

Karakteristieke Noot: de (verlaagde) kwint

De Locrische modus is veruit het meest duister en instabiel. De grondtoon en kwint zijn het stevige fundament van zo’n beetje alle (westerse) muziektheorie, en dus zijn veel Westerse componisten het erover eens dat er geen praktische toepassingen zijn.

Sommige componisten (bijvoorbeeld, klassiek en heavy metal) zijn het daar niet mee eens, en gebruiken het als ze iets ongelofelijk duisters en dissonants nodig hebben. Verder geeft het een gevoel van verdriet en pijn, gecombineerd met enorme woede of frustratie.

Dat was het weer

Ik kan niks interessants meer bedenken om te zeggen over dit deel van muziektheorie. Muziektheorie is dan ook vooral gemaakt om toegepast te worden, om mee te worden geëxperimenteerd.

 

 

 

Er zijn (nog) geen reacties.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.