Omdat je nooit weet wanneer je het nodig gaat hebben

[Le Conte de Fées] Hoofdstuk 1 t/m 5

Dit artikel bevat hoofdstuk 1 t/m 5 van een kort verhaal dat ik lang, lang geleden heb geschreven. (Gij zijt gewaarschuwd.) Verdere uitleg + inhoudsopgave vindt men hier: Le Conte De Fées

Hoofdstuk 1

Er was eens een feeënkont. Het was geen gewone kont, en ook zeker geen gewone fee. Ze heette Delamora en woonde al jaren in haar kleine, groene, gezellige huisje op een open plek in het feeënland. Ja, altijd op een open plek. Een feeënhuis was pas een feeënhuis als het een grote voortuin en achtertuin had.

Dit land was onderdeel van het sprookjesbos, tot ieders vreugde. Het was namelijk altijd goed weer, en er groeide meer groen dan iemand ooit kon wensen. Lieve beesten, mooie planten, hoge bomen, en magische zonsondergangen vulden elke dag.

Die zon ging, van alle landen, het eerste op en het laatste onder in feeënland. Daar werd ook veel gebruik van gemaakt. De feeën stonden bekend om de magische energie die ze leverden aan de rest van het woud. Die wekten ze dag na dag op met zonnekamelen.

Het woud was dichtbevolkt, maar werd al jaren niet meer voller. Vroeger stonden er nog niet veel bomen: het bos was één grote open plek. Toen wilde iedereen wel fee worden en naar het bos verhuizen. Men organiseerde Huistochten naar het feeënland – maar al die wezens pasten niet allemaal!

De eerste maatregel was een test om te kijken of iemand wel écht een fee was. Het slachtoffer moest dan eerst koffie – of thee – met koekjes toveren, vervolgens zichzelf over de magische rivier toveren die het feeënland en het kabouterland scheidt, en als laatste met hun toverkunsten hun eigen huis bouwen.

Maar zelfs dat was niet streng genoeg. Steeds meer inwoners hadden toegang tot het feeënnet – soms illegaal – en iedereen kon ineens leren toveren. Dus hengelde men paniekerig naar een volgende optie: kijken naar de stamboom. Als je minstens twee feeën in je familie had, mocht je hier wonen. Wat denk je? Families werden groter, en ineens had iedereen half-feeën en kwart-feeën in de familie.

Met tegenzin viel men terug op de laatste optie: dan maar een heel groot bos aanleggen. Dat werkte.

Delamora en haar familie hadden van deze heisa niks gemerkt. Ze woonden al sinds het begin der feeëntijden in het land. Haar hele familie woonde dicht bij elkaar, wat ervoor zorgde dat de omgeving rond haar huisje het Delamoradorp werd genoemd. Dit dorp was beroemd door heel het bos door hoe succesvol en rijk alle inwoners waren.

Dit hadden ze allemaal te danken aan Delamora’s broer. Toen men het Grote Bos aanlegde, voor iedereen die hier wilde komen wonen, eiste hij dat zijn familie ook iets kreeg. Al die extra mensen zorgden voor een magietekort, wat in geen miljoenen jaren meer was gebeurd, en het hele land was er slecht aan toe. Hij discussieerde maandenlang met de bazen. Uiteindelijk wist hij een grote open plek in het dorp te krijgen, inclusief tweedehands wensput, vliegezel, en een gigantische voorraad drankjes en toverstokjes. Met zijn eigen winkeltje voorzag hij nu het hele dorp van inkomsten. Daardoor stak het met kop en schouders boven de rest van het bos uit en leek als eerste uit het magietekort te komen.

Delamora’s huisje stond relatief afgelegen van het dorp. Haar woning zag er oud uit, met stenen die links en rechts uitstaken, en een scheef dak met nog schevere schoorsteen. Maar niemand zag dat, want het was helemaal verborgen onder klimop en ander onkruid.

Een zandpad slingerde over de open plek en wees haar klanten de juiste richting. Haar achtertuin had ze beschermd tegen priemende ogen met toverhekken, uitgevonden door haar broer. Deze hekken kon je niet zien, maar gaven een fout beeld van wat erachter zat. Een buitenstaander kon een lege achtertuin zien, terwijl in werkelijkheid Delamora door de tuin stampte.

Haar eigen zaak liep goed. Vroeger was ze nog wantrouwend, en moest men haar persoonlijk kennen om binnen te komen. Alleen als ze op de juiste plek voor het huis stonden, en de juiste spreuk zeiden, teleporteerden ze naar binnen. Maar toen bleek dat de meeste mensen simpelweg langskwamen om iets liefs te kopen – en dat teleporteren niet goed was voor de gezondheid van jonge feeën – maakte ze toch een deur. Bovendien waren haar goederen met magie beschermd en niet bijzonder waardevol.

Ze verkocht cupcakes. Ze decoreerde, gaf workshops en cursussen, bakte voor huwelijken en feesten, of voor de plaatselijke bakker. Met hem wilde ze goed bevriend zijn – maar daar bakte ze nog weinig van.

Haar huisje had dan ook een voor- en achterkant. Nou geldt dat natuurlijk voor ieder huisje – het zou onhandig zijn om alle muren aan één zijde weg te halen – maar bij haar leken het wel twee verschillende huisjes. De voorkant was haar winkeltje. Klein, schattig, vol met ongezond eten. De achterkant was een open ruimte met in het midden een grote tafel omringd door tientallen krukjes. Ze was vrijwel altijd aan de voorkant. Vaak om een klant te bedienen, of uitzicht te hebben op het terras, maar ook om te zorgen dat in ieder geval niemand stiekem naar de achterzijde ging.

Ze was erg bedreven in haar vak. Haar enthousiasme en vindingrijkheid maakten haar tot een van de bekendste cupcake-kunstenaars in het bos. Dat was bijzonder, want ze had dit beroep pas laat opgepakt. Vroeger wilde ze bioloog worden. Ze ving vlinders, tekende vlinders, schilderde vlinders, volgde vlinders de hele dag lang, en kende alle vlinders uit haar hoofd. Pas toen ze bij de bakker een cupcake met een heleboel vlinders zag, en even later een heleboel cupcakes met een vlinder, was ze verkocht. Sindsdien was het snel gegaan. Nu was ze zelfs over de grenzen beroemd – en dat is ook waarmee ons verhaal begint.

 

 

 

Hoofdstuk 2

De zeven dwergen waren op handelsreis en waren de grens net veilig gepasseerd. Niet dat ze konden doorgaan voor een fee – ze hadden een CJP-pas.

Het Delamoradorp was niet ver van de grens, maar voor dwergenvoetjes toch een redelijke dagmars. ’s Nachts hadden ze besloten in een boom te slapen, om de nachthonden te ontwijken. Feeën waren groot genoeg en hadden verweer door middel van hun magie, maar voor dwergen waren ze een grote last. De volgende ochtend besloten ze dan ook via de bomen, of eerder de boomtoppen, verder te gaan. Op die manier hoefden ze de grond niet eens aan te raken tot hun aankomst in het dorp.

Ze waren vol goede moed. De dwergen stonden bekend als echte handelaars, en het Delamoradorp, met hun grote welvaart, was de kers op de taart. Ze droegen zoals altijd een grote zak diamanten mee, gehaald uit de grotten in hun geboorteland. Deze waren nog meer waard in Fluppies – de feeën munteenheid – en beloofden gouden bergen in dit gebied.

Na een paar uur kwamen ze eindelijk aan. Alles was mooi en bewonderenswaardig aan het dorp. De dwergen keken enerzijds verwonderd, anderzijds hulpeloos rond. Ze hadden geen idee waar ze moesten zijn. Na lange tijd stelde de hoofddwerg voor om aan mensen te vragen waar de cupcakewinkel was. De andere dwergen tikten hem op de schouder en wezen naar een gigantisch reclamebord boven hun hoofd. De hoofddwerg mompelde wat naar zichzelf, maar volgde toen zijn vrienden, die de route al uit hun hoofd hadden geleerd.

Ze moesten op elkaar gaan staan om de deurbel in te drukken. Na veel moeite galmde uiteindelijk “Dingetje Dongetje” door het huis. Delamora had haar beltoon zelf ingesproken. Ze snelde vanuit haar keukentje rap naar de deur, maar opende die iets te vluchtig, waarmee ze de dwergen van elkaars schouders knalde.

‘De zeven dwergen! Wat zijn jullie gegroeid!’ riep ze naar het stapeltje kreunende dwergen. ‘En wat hebben jullie mij lang laten wachten zeg. Kom op, kom snel binnen, dan laat ik jullie zien wat ik allemaal voor elkaar heb gekregen.’

‘Haha, heel grappig,’ antwoordde de hoofddwerg. ‘We zijn ook blij u weer te zien hoor. Tenminste, ik wel. Ik kan deze cupcakwinkel zelfs vinden met mijn ogen dicht!’

Alle dwergen prikten de hoofddwerg in zijn zij. Jazeker, hij was zelfs boos op zichzelf dat hij weer eens zijn mond voorbijpraatte. Ze gingen schoorvoetend het huisje binnen – omdat dwergen eigenlijk niet anders kunnen – en liepen meteen door naar de achterkant. De krukjes waren te hoog, dus werd de tafel omgedraaid en nam iedereen plaats op de grond. Een paar rare geluiden van Delamora later stond ineens voedsel op tafel. Haar cupcakes, één voor iedere dwerg, haalde ze dan weer zelf uit de kast.

‘Dus, wat komen jullie doen?’

‘Wij zijn zeer gedreven ondernemers. In dwergenland hebben we alles al gezien, gedaan, en gekocht – maar nog nooit een cupcakewinkel. Ons voorstel: een handeltje waarbij we informatie uitwisselen over cupcakes en reclame maken voor elkaar.’

Delamora sloeg de hand voor haar mond. ‘Ik – ik – ik ben sprakeloos. Ik ben zeer vereerd dat iemand van ver weg mijn werk bewonderd … al helemaal omdat ik een Delamora ben, en –’

De hoofddwerg onderbrak haar. ‘We hebben inderdaad uw reputatie gehoord. Zeer geliefd bij de consument, een zeer hechte en voorspoedige gemeenschap, maar alle andere volken haten jullie. Het lijkt me niet fijn zo te leven. Anderen zouden jullie dankbaar moeten zijn voor de voorspoed en rijkdom.’

Delamora sloeg haar andere hand ook voor haar mond. ‘Ik ben nog steeds sprakeloos. Ik zeg: doen! Sterker nog, ik organiseer vanavond een feest om dit nieuws te vieren!’

‘Dat vinden wij geen slecht idee. Nog twee dingen voordat de handel kan beginnen: uw contactgegevens en geheime recepten.’

‘… mijn geheime recepten?’

‘Och wat stom van ons. Kan ik u overtuigen met, laten we zeggen, zeven diamanten?’ De hoofddwerg overhandigde zeven grote groene diamanten, die haast leken te gloeien.

‘U heeft mij overtuigd,’ zei Delamora meteen. ‘En noem het geen handeltje: noem het een voordelige vriendschap. Hier heb je mijn kaartje, staat alles op. Tot vanavond!’

Ook de dwergen overhandigden hun kaartjes; dan had ze er voor de zekerheid in ieder geval zeven. Delamora toverde hen weg naar het grote plein, waaromheen vele hotels en cafés zaten, maar waarop ook alle feesten werden gehouden. Dan konden ze alvast het heuglijke nieuws voortvertellen. En dan kon iedereen over een paar minuten bij haar thuis vergaderen over het feest, want ja, feeën hoeven toch altijd maar enkele seconden te reizen.

Ze gooide de winkel snel weer open, want voor haar deur had zich een lange rij klanten verzameld. Na de eerste klanten te hebben geholpen verscheen de feeënbode. Hij leek altijd uit het niets tevoorschijn te komen. Maar je kon hem nooit vragen hoe hij dat deed, want hij gaf alleen de berichten, en moest altijd meteen weer weg.

Zodoende vloog een papieren vliegtuigje tegen haar aan. Dat was immers de enige magie die de bode kon uitvoeren, en dat wilde hij maar al te graag aan iedereen laten zien. Ze vouwde het briefje open en las tot haar schrik dat men de vergadering voor het feest in Hotel Bolder besloot te houden … en dat het al een minuut geleden was begonnen.

Ze lachte vriendelijk naar alle klanten. ‘Ik moet even weg,’ riep ze over het terras, ‘jullie kunnen jezelf wel bedienen toch?’ Iedereen knikte. ‘Maar niet de verboden deur openen!’ Iedereen knikte weer en mompelde ‘jaja, we weten het’.

Ze tekende met haar vingers een cirkel om zich heen, en zonder enige geluid of lichteffecten was ze ineens verdwenen. Die techniek had ze lang geleden van een hele krachtige tovenaar afgekeken. Ze was er blij mee: ze kon zo binnen een seconde naar elke plek in het dorp reizen.

 

 

 

Hoofdstuk 3

Een minuut eerder waren de bakker, caféhouder, broer van Delamora, 7 dwergen, hoteleigenaar en een paar nieuwe winkeliers begonnen met vergaderen.

‘Dames en heren,’ opende de burgemeester, ‘we hebben niet veel tijd, maar wel een zeer groot probleem!’

‘Ja!’

‘Ja!’

‘Precies.’

‘Goed begin.’

‘Ik neem aan dat jullie allemaal weten waar het over gaat, maar ik leg het toch uit, anders weet de lezer niet waar we het over hebben. Delamora heeft een te dikke kont. Zo, ik kan het niet anders zeggen.’

‘Ze was laatst in mijn supermarkt, en toen ze omdraaide om wat marsepein te pakken, gooide ze het hele broodschap om!’

‘Hetzelfde in ons café. Laatst hadden we karaoke avond, en toen ze het podium opkwam stootte ze alle microfoons omver. Ze zakte nog net niet door de vloer!’

‘Dat is nog niks. Bij mij duwde ze met haar kont een koffer uit de hand van mijn belangrijkste gast ooit. En wat zat daarin? Drie keer raden: iets breekbaars!’

‘Je liet ons niet raden –’

‘Dat heeft me niet alleen bergen met geld gekost, maar die gast zal nooit meer terugkomen!’

‘Pff, kleinigheden. Bij mij wilde ze een boek over papieren vliegtuigjes kopen, en toen heeft ze met haar kont bijna de hele voorraad aan vliegtuigjes platgedrukt! Ik was uren bezig met opnieuw vouwen en de magie weer versterken.’

‘Tja,’ zei de bakker toen iedereen hem aankeek, ‘ik heb er eigenlijk geen last van.’

‘Ja, jouw winkel is ook gemaakt voor mensen met dikke konten,’ snauwde de burgemeester. ‘In ieder geval: iedereen kent de tovenaarscode toch? Je mag nooit iemand in het openbaar voor schut zetten?’ Een golf van knikkende hoofden ging door het zaaltje. ‘Dus we kunnen niet rechtstreeks vertellen dat ze een dikke kont heeft. We moeten een geheime actie opzetten om haar te helpen! Maar dan komt de vraag: weet iemand hoe ze aan die kont komt?’

De hand van de hoofddwerg vloog meteen hoog de lucht in. Hoog voor hun doen, in ieder geval. ‘Wij kennen haar niet goed, en werken niet in hetzelfde dorp als zij, maar wij kunnen toch redelijk zeker zijn van onze gok dat ze teveel heeft gegeten voor het aantal beweging dat ze per dag treft.’

‘Nee goh.’

‘Mooi gezegd, maar we hebben er niks aan. Ze eet weinig van haar eigen winkel, en de voorraad voedsel voor haar eigen onderhoud is ook minimaal, dus het blijft voor mij een vraag.

‘En we kunnen haar niet zomaar minder laten eten,’ zei de bakker. ‘Eten is belangrijk!’

‘Bedankt voor je – eh – toevoeging.’ De burgemeester had nog geen lach op zijn gezicht laten zien. ‘We moeten haar bespioneren, hoe erg het ook klinkt. Ik ken wel iemand die met magie alles in de gaten kan houden. We zullen wel geheime bijeenkomsten moeten hebben met diegene om alles te bespreken. In de tussentijd: praat met haar en probeer erachter te komen.’

Het was even stil. ‘Ja, dat had natuurlijk de eerste stap moeten zijn. Eerst praten, dan spion. Maar daarvoor is het nu te laat! Haar kont is al te dik!’

Ineens stond de feeënbode naast de burgemeester. ‘Ze komt eraan! Ze komt eraan!’

‘Doe alsof jullie ook net zitten.’

Iedereen stond op, ging op een willekeurige plek in de kamer staan, en deed alsof ze heel aandachtig iets bestudeerden. Delamora kwam nietsvermoedend binnen. Iedereen stopte ineens met kijken en liep om de beurt naar hun plek om te zitten. De burgemeester dacht dat het vrij geloofwaardig was.

‘Wat heb ik gemist?’ zei Delamora opgewekt. ‘Ik bedoel, beetje vreemd natuurlijk om ineens de bijeenkomst naar voren te schuiven. Maar gezien jullie allemaal pas net aankwamen denk ik dat ik niets gemist heb!’ Ze legde haar paraplu weg. Die had ze altijd mee, zelfs als het lekker weer was, zoals bijna altijd, omdat ze daarmee overal waar ze kwam magische cupcakes kon bakken. De kleur van haar paraplu paste altijd perfect bij de kleur van haar kleding.

Wanneer ze haar standaardhandeling had uitgevoerd – de paraplu wegleggen – nam ze plaats in de hoek en begonnen met haar standaardzin. ‘Om maar even met de deur in huis te vallen –’

‘Ah nee, niet weer,’ verzuchtte de burgemeester zo zacht mogelijk.

‘We hebben nodig: slingers, eten – maar dat breng ik natuurlijk – een stel tafels en stoelen, die kunnen de gebroeders Kor wel regelen, en dat is het. Eigenlijk simpel, zo’n groot feest.’

‘Ja, als we niet zoals elke keer problemen hebben met de DJ. Er is gewoon niemand muzikaal getalenteerd in onze kringen.’

‘HEE HO! Wij wel!’ De zeven dwergen sprongen tegelijk van hun krukjes af en begonnen vrolijk te zingen en dansen. De burgemeester sloot met een handgebaar de bijeenkomst. Delamora nam de dansende dwergen mee naar huis, want op deze manier vertrouwde ze niet dat de dwergen vanavond nog energie hadden. Verhalen en geruchten over de losbandigheid van dansende dwergen waren wijdverspreid.

 

 

 

Hoofdstuk 4

‘Zo, hier is uw talantallataart. Fijne dag nog!’

Ze overhandigde een merkwaardige paarse doos aan de klant, die het allemaal normaal leek te vinden, en zwaaide hem uit. Achter zich hoorde ze gerommel. Normaal gesproken zou ze meteen kijken, maar deze keer had ze zelf de zeven dwergen achterin haar huis binnengelaten.

De potten met snoep op de toonbank waren bijna leeg. Vroeger had ze alle reserve achter haar in de schappen staan, maar op een gegeven moment werd haar kont zó groot dat ze niet meer kon omdraaien, waarna ze de ruimte had vergroot en een apart magazijn gebouwd. Aangezien ze toch bezig was, bouwde ze ook meteen wat raampjes in de muur, zodat ze makkelijk kon zien wat er aan de achterkant gebeurde.

Lopend naar het magazijn zag ze in haar ooghoeken de dwergen keurig aan tafel zitten, gebogen over een kaart van het sprookjesbos. Maar het was geen normale kaart. Alleen de belangrijkste plekken voor handel stonden erop, en als je daarop drukte, hoorde je allerlei getallen en andere informatie. Gesproken informatie, verteld door Jeffrey Jager, een bekende inspreker uit het sprookjesbos.

Delamora vergat wat ze aan het doen was en liep de achterruimte in. De winkel was nu toch leeg. Alle dwergen bleven geconcentreerd op de kaart, behalve de hoofddwerg. Hij keek meteen op.

‘Hoe gaat het ermee? Met de zaak, bedoel ik natuurlijk.’

‘Goed goed. Net weer wat dure taarten verkocht, dus ik moet vanavond weer bij bakken.’ Haar ogen gleden van de kaart af. ‘Oh nee. Ik moet nog alles bakken voor het feest vanavond!’

‘Als we kunnen helpen zegt u het maar. We zijn met z’n zevenen, en die andere zes zijn niet zo belangrijk als ik.’

‘Ach, ik geloof dat jullie druk bezig zijn met deze kaart. Mag ik vragen hoe jullie aan zo’n wonderbaarlijk voorwerp komen?’

‘Dat mag u vragen.’

Delamora rolde haar ogen en zuchtte: ‘… dus hoe komen jullie eraan?’

‘Oh, sorry, mijn fout. Deze kaart is een namaak van een originele handelskaart van Peter de Dikke. Hij was befaamd handelaar … en daarom ook zo dik. Eén van de redenen tot zijn succes was dat hij zijn hele handelsproces bijhield, niet alleen zijn opbrengst. Het origineel hangt in het museum in Drakenland. Een verspilling, als u het ons vraagt. Deze kaart hebben we ooit geruild voor een diamant. Wij, met ons neusje voor handelen, hadden echt wel door dat het niet zomaar een kaart was. Een diamant was dan een kleine prijs. De vraag blijft echter: wie heeft deze kaart betoverd? Wie kan zulke krachtige magie opwekken?’

De hoofddwerg keek Delamora aan alsof hij een antwoord van haar verwachtte. Ze schudde haar hoofd.

Een middelkleine dwerg, die op zijn mobieltje zat, viel bij. ‘We hebben natuurlijk wel onze vermoedens. Na wat onderzoek kwamen we uit dat de Krakko-stam er iets mee te maken had, maar verder niks. Natuurlijk kunnen die Krakko bostrollen geweldig toveren, maar ze staan ook bekend om hun sluwheid en uitwissen van sporen. We hebben nooit het lef gehad hen te bezoeken, maar dat mogen we niet zeggen van hoofd –’

‘Inderdaad! Ik –’ Hij keek naar de klok. ‘Oh grutjes, al zo laat? Niet om u te panikeren, maar slechts een uur resteert voor het begin van het feest.’

‘Dubbele grutjes! Jullie hebben helemaal gelijk! Ik zie jullie op het feest.’ Delamora rende weg. De dwergen kwamen meteen in beweging. Delamora leek al lang en breed vertrokken, toen ze haar hoofd ineens weer terug door de deuropening draaide. Alle dwergen verstijfden. ‘Onthoudt: na de Blauwe Boom links, niet rechts, want dan maak je een gruwelijke omweg.’ Ze fronste haar wenkbrauwen over de heftig knikkende dwergen, maar zei verder niks. Nadat ze de deur definitief had dichtgegooid, maakte ze fluitend de etenswaren voor het feest. Ze werd onderbroken door een telefoontje van de bakker.

 

#

 

‘Jongens. We hebben een uur.’ De hoofddwerg deed behendig een extra slot op de deur en ging op tafel staan. ‘Laat de kaart liggen. Jullie blijven een plan uitstippelen, en mijn vriend hier – DIE NOG STEEDS OP ZIJN MOBIEL ZIT!’ De middelkleine dwerg schrok en liet alles vallen. De hoofddwerg moest lang hoesten voordat zijn stem terugkwam. ‘Conclusie: wij gaan samen op onderzoek uit.’

Hij trok zijn mededwerg van de stoel en liep samen de hele ruimte door. Alle kastjes werden aangedaan, opengetrokken, dichtgegooid, ondersteboven gehaald, en uitgeschud. Na een halve circusact wisten ze ook bovenop de kastjes en hoogste schappen te komen. Maar ook daar stond niet hetgeen ze zochten.

‘Als het hier niet is, is het óf voorin de winkel, óf ze heeft het heel goed verstopt. Dan is het erger dan we dachten.’

‘Nog maar twintig minuten. Blijf zoeken. Als we hier niks vinden, gaan we eerder richting het feest om – eh – die mensen te ondervragen.’

‘Jij bent ook al vergeten hoe ze heten? Man, we moeten iets aan ons geheugen doen.’

‘Klein hoofd, klein geheugen. Niks aan te doen.’

‘En zo is het,’ zeiden alle dwergen in koor. Niet veel later was iedereen terug op de grond. Toen Delamora enkele minuten voor het feest naar achteren kwam om cupcakes in haar Knorfiets te laden, was alles opgeruimd. Het viel haar op dat de stoelen op een vreemde manier teruggezet waren. Maar ze haalde haar schouders op en ging door met haar werk. Nog eventjes en het zou beginnen.

 

#

 

‘Ha! Beste bakker, coole cafébeheerder en heilige hoteleigenaar!’

‘Hebben jullie daar serieus dat hele uur over gedaan?’

‘Nee. Hoezo. Dwergen hebben gewoon goede humor.’

‘En zo is het,’ zeiden ze in koor.

‘Maakt niet uit, is weer eens wat nieuws,’ antwoordde de bakker. Ze stonden in een steegje die op het hoofdplein uitkwam, verlicht door de etalage van de bakker. Café-eigenaar Boris stond op de uitkijk van de ene kant, en de hoteleigenaar aan de andere kant. Het gezicht van de bakker veranderde van lacherig naar serieus; de dwergen luisterden meteen aandachtig.

‘Ik en de burgemeester hebben –’

‘De burgemeester en ik.’ De bakker keek de dwergen aan met dichtgeknepen ogen. ‘Sorry. We zullen voortaan accepteren dat de taalvaardigheid van inwoners van het Delamoradorp schandalig slecht is.’

‘Nou ja zeg!’

‘Komt dat verhaal nog?’

‘Goed. De burgemeester en ik hebben na de vergadering een plan bedacht. Poging één tot het probleem oplossen: we gaan Delamora aan een test onderwerpen. Er zullen vanavond veel mensen zijn, dus we proberen haar te zakkenrollen. Mits dat een goed Nederlands woord is.’

‘Niet zo twijfelen aan uzelf.’

‘Maar – hoe dan ook, we proberen een magisch zendertje te plaatsen op haar … eh … kont. De kans is namelijk … eh … het grootst dat hij op die plek neerkomt. Want natuurlijk slaan we niet een zendertje tegen haar kont: we gooien het van bovenaf! De lijn met lampjes, die we traditioneel ophangen voor alle feesten, is schoongemaakt en omgetoverd tot dak. Letterlijk.’

Alle blikken schoten tegelijkertijd naar boven. Er lag inderdaad een groot stuk beton bovenop de wonderschone gekleurde lampjes. Men kon er over de waslijnen naartoe lopen, mits men niet te zwaar was. Het was een raar gezicht, maar iedereen hoopte dat Delamora het niet kon zien tegen de donkere nachthemel. De hoofddwerg was de eerste die terugkeerde tot de werkelijkheid, naar de bakker knikte, en een kort fluitsignaal produceerde. Hij riep de achtste dwerg.

Origineel waren er namelijk acht dwergen. Maar gezien alle talenten al verdeeld waren, werd deze dwerg maar crimineel. Daar konden de acht dwergen natuurlijk niet mee komen aanzetten, dus werd hij voor de buitenwereld uit de groep gevolgd. Als een schaduw volgde hij ze nog altijd overal. Overal waar zeven dwergen waren, was hij ook. Goed gecamoufleerd, in het donker, hield hij alles in de gaten. Vroeger was het een eng idee, maar nu vonden ze het juist fijn, want hij was de beste bescherming die je kon wensen.

De achtste dwerg sprong van het balkon boven hun hoofd en landde zacht in een boomtop. Daaruit maakte hij een salto langs de bakker, die nog steeds wild om zich heen keek en de achtste dwerg niet had gezien. Je kon de achtste dwerg alleen zien als hij wilde dat hij je zeg. En als hij kon pronken met zijn vaardigheden. Hij gaf de bakker een snelle tik op de schouder, en het feest kon beginnen.

De zeven dwergen beklommen het podium voor een flinke show. De achtste dwerg ging zijn opdracht volbrengen.

 

 

 

Hoofdstuk 5

Normaal gesproken zei men in feeënland: wat gebeurt op een feeënpartijtje, blijft op een feeënpartijtje. Dat gold niet alleen voor de feesten: bijna alles werd geheimgehouden voor de rest van de wereld. Hoe feeën met magie zomaar overal naartoe konden reizen, bijvoorbeeld, zou al snel worden misbruikt door anderen. De feeën wisten inmiddels hoe ze er mee om moesten gaan – maar dat was niet altijd zo.

Vlak na de uitvinding reisde iedereen naar plekken waar ze helemaal niet thuishoorden. Zoals het magazijn van een snoepwinkel, de slaapkamer van hun aartsvijand, of de plek op school waar alle toetsen werden bewaard. De burgemeester van Delfa bedacht snel een oplossing. Elke ruimte zou op den duur toch beladen worden met magie, dus waarom niet alvast beginnen? Hij besloot dat elke ruimte een lijst kreeg van personen die erin mochten.

Elke afgesloten ruimte kreeg één eigenaar. Die kon met een simpele tik van de toverstok op de deur namen toevoegen van anderen die er ook in mochten, en natuurlijk ook namen weghalen. Zodoende kwam overal een soort slot op, hoewel openbare ruimten natuurlijk magieloos bleven.

Dat leed in de tijd van burgemeester Firo tot problemen. Die man had grootse plannen met feeënland. Hij verenigde alle verschillende gebieden onder één naam: de Verenigde Staten. Toen bleek die al bezet, dus werd het de: Verenigde Feeën! Eerst leek hij een redder in nood, na de armoede van de grote overbevolking van feeënland. Maar toen alles goed ging … was hij verveeld en zette sloten op alle ruimtes. Dorpspleinen, snelwegen, bibliotheken, scholen, alles werd slechts bereikbaar voor mensen die hij aardig vond.

De bevolking kwam in opstand. Eén van de beste feeënhackers ooit, onder de alias “Welke Beveiliging?” (of “WB”), kraakte het slot op het paleis van Firo en sloot de burgemeester zelf buiten! Hij dacht dat zo het lesje wel was geleerd – maar Firo trok zich er niks van aan. Hij ging persoonlijk op jacht om WB op te pakken … maar die was slim genoeg om ín het paleis te zitten. Daar kon Firo nooit bij. Eigen schuld, dikke bult. En zo werd WB de nieuwe burgemeester en was de rotte tijd voorbij.

De geheimhouding was groot, maar als je eenmaal erbij hoorde, was het leven in feeënland heerlijk. Vooral de feesten. Men vertelde over de hele wereld legendes over de feesten. En aangezien op dit feest buitenstaanders aanwezig waren, in dit geval de acht dwergen, mag ik hierover vertellen.

Een feeënfeest begon altijd met de traditionele openingsdans. Het opzetten, waartoe het ophangen van duizenden slingers en neerzetten van duizenden tafeltjes behoren, was altijd zó saai dat het werd opgevrolijkt. Men begon gezamenlijk een lied te zingen. Iedereen liet al zijn spullen aan de rand van het plein vallen, en wanneer alles aangekomen was, zongen ze samen de spullen op de juiste plek. Dit lied mag ik jammer genoeg niet met jullie delen, om redenen die jullie inmiddels zullen begrijpen.

Het was veel drukker dan verwacht. Zelfs enkele Krakko bostrollen feestten mee. Ze kwamen vrij geregeld langs, maar normaal gesproken alleen voor serieuze zaken.

De dwergen konden goed door voor de nieuwe Blues Brothers, als ze die hadden gekend in feeënland. De sfeer zat er vanaf het begin goed in, en ze knalden de ene na de andere hit perfect van het podium af. Het podium zelf was mooi versierd, en de confettiregens aan het einde van elk nummer vulden het nog meer aan. Rondom het podium danste iedereen. Daar weer omheen zaten de wezens die slechts wilden praten. Daar stonden ook de tafels en stoelen, wat wel zo handig leek.

Delamora was verlaat. Haar avondeten was aangebrand. Ze wilde nog snel eten voor het feest, want ze wist dat daar alleen ongezond snoepgoed zou zijn, maar hoe goed ze ook kon bakken, koken was niet haar ding. Toen ze aankwam was iedereen al druk aan het dansen of in een gesprek verwikkeld. Ze wilde wel bij een gesprek invallen, maar wist niet hoe. De eerste groepen die ze passeerde kende ze niet: het waren grotendeels bostrollen of nog meer dwergen. Dus ze liep verder. Ze klapte haar paraplu in en liet deze naar een van lampjeslijnen zweven. Daar was hij wel veilig.

Toen ze haar hoofd weer van de sterrenhemel af liet draaien, stond ineens de bakker voor haar.

‘Aah, Delamora! Goed je weer te zien! En mooi dat jij en de dwergen zo goed met elkaar overweg kunnen. Volg mij naar achter het podium, daar kunnen we genieten van muziek én een goed gesprek hebben.’

‘Wat een aangenaam offer, bakker. Wacht even.’ Ze pakte de eerste de beste feeënchampagne van tafel en liet het glas voor haar uitzweven.

‘Tuttut, niet eens meer een glas vast kunnen houden? Je handen moeten wel erg vermoeid zijn van het harde werken!’

‘Heel slim hoor. Een vernedering en een compliment achter elkaar zetten, maar ik zal dit negeren omdat jij het bent.’

‘Volg mij op de voet! Het is druk rond het podium, want alle meiden willen een handtekening van de dwergen. Grappig, want die feeën zijn groot genoeg om de dwergen plat te stampen! Het is toch om te gieren!’

De bakker had zelf niet door hoe hard en extreem enthousiast hij sprak. Pas toen ze op zijn plek stonden werd hij rustiger. Delamora keek omhoog en zag dat ze voor de gelegenheid een dak op de lampjeslijnen hadden gelegd. Ze vond het grappig. Hoewel ze het vreemd vond dat niet het hele plein overdekt was, want als het ging regenen had je er nog steeds geen bal aan. Nou ja, de rest van het plein dan, want zij leek kaarsrecht onder het dak te staan. Had ze weer de paraplu voor niks meegenomen.

Ze vond het wel een erg klein dak. Dat zei ze maar niet, want waarschijnlijk was het idee van de bakker en was hij – zoals altijd – enorm aan zijn idee gehecht. Hem kwetsen zou ze niet durven. Niet nogmaals. Na dat liefdesconflict van bijna een jaar geleden zwoer ze nooit meer aan liefde te denken. Haar enige liefde waren de cupcakes en haar klanten.

Het gesprek was serieus. De komst van de acht dwergen, voor Delamora nog zeven, had iedereen aan het denken gezet. De burgemeester presenteerde trots twee objecten die hij van hen had gekregen.

De eerste was een Qompas. Deze wees niet alleen het noorden aan, maar vertelde ook meteen wat je er allemaal kon leren en studeren. Het zag er hetzelfde uit als een gewoon kompas, alleen iets groter, zwart, en met een flinterdun rood wijzertje. Wederom was dit ingesproken door Jeffrey de Jager, maar de burgemeester had zijn stem even uitgezet, want het hele dorp kon zijn stem inmiddels wel uitkotsen.

Delamora dacht iets achter haar te horen, en een prik in haar rug te voelen, maar niemand anders leek iets te merken. De burgemeester vervolgde zijn verhaal; de bakker draaide Delamora snel met haar hoofd terug naar hem.

Het tweede object, vertelde de burgemeester, was een Pademaker. Deze werden al sinds het begin der tijden gebruikt door handelaars die nieuwe handelsroutes wilden maken. Tegenwoordig waren ze, echter, voor iedereen beschikbaar. Het was een keihard balletje, van een onbreekbaar soort steen, betoverd met het Pademakers Patroon. Door deze betovering knetterde het balletje de hele tijd. Paarse vonken dansten in de rondte, om na enkele seconden weer te verdwijnen. Hierdoor was het onmogelijk de oorspronkelijke kleur van het balletje nog te kunnen zien. Nadat deze rond was gegaan deed de burgemeester beide objecten in een speciale tas.

Meteen begon de bakker met zijn eigen verhaal. Hij kan nog steeds niet tegen stiltes, dacht Delamora. Niemand luisterde echt, ook zijzelf niet. Ze herinnerde dat ze brood moest kopen, want al die cupcakes als ontbijt waren niet zo goed voor haar gewicht. Maar ze durfde al een jaar niet meer bij de bakker te komen. Niet na het conflict. Zou ze hem anders om een gunst vragen als hij weer wat te veel feeënwijn op had? Maar dan was hij misschien zo dronken dat hij flauwviel als hij antwoord wilde geven. Daar moest ze maar niet aan denken.

De bakker viel stil en keek omhoog. Boris vroeg of het ging regenen. De bakker zei van niet en ging verder met iets wat compleet niet samenhing met het verhaal daarvoor. Dat deed hij wel vaker. Dat vond hij leuk, want dan werden mensen nieuwsgierig en wilden ze verder luisteren, maar het werkte natuurlijk alleen als mensen in eerste instantie al geboeid waren.

Delamora voelde een steekje in haar kont, nog erger dan het steekje in haar rug van daarnet. Het leek op het gevoel dat ze kreeg toen ze haar vingers per ongeluk in het stopcontact had gestopt. Maar deze keer werd haar kapsel niet statisch en vloog ze niet honderd meter de lucht in. Deze keer zal het wel gewoon een griepje zijn, dacht ze.

‘Hé iedereen! Ik ga denk ik. Ik heb – eh – al nachten niet goed geslapen. Ik zal op tijd mijn bedje opzoeken.’

‘Is goed! Ik denk aan je!’

Ze wist niet wie dat laatste riep, want ze was al weg, ook met haar gedachten. Ze ontweek iedereen die haar nog goedenacht zwaaide.

 

Er zijn (nog) geen reacties.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *