Omdat je nooit weet wanneer je het nodig gaat hebben

[Le Conte de Fées] Hoofdstuk 6 t/m 10

Dit artikel bevat hoofdstuk 6 t/m 10 van een kort verhaal dat ik lang, lang geleden heb geschreven. (Gij zijt gewaarschuwd.) Verdere uitleg + inhoudsopgave vindt men hier: Le Conte De Fées

Hoofdstuk 6

Het was duister. De bomen haalden bijna al het maanlicht weg en de rijkelijk versierde lantaarnpallen langs de smalle bosweg schenen nauwelijks. Voor onwetende voorbijgangers leek hier niets dan donker bos, maar wie goed keek zag een groot huis. Goed beschut, gecamoufleerd, en slechts te bereiken via een klein trapje naar een enorme zwarte voordeur. Het bospad draaide kunstig langs het huis en liep even verderop dood. Verder kon ook niet: men zou van de klif in de zee vallen, óf door de draken van Drakenland worden opgevreten.

Het was zo afgelegen dat de wilde beesten hier de baas waren. Ze liepen over het pad, zigzagden tussen de bomen, keken geïrriteerd naar voorbijgangers, zonder bang te zijn voor gevaar. Er waren gewone herten, magische herten, eekhoorntjes, eenhoorns, maar ook een zeldzame combinatie tussen draken en herten: De Draet.

Voor deze beesten kon men ’s nachts maar beter oppassen. Overdag sliepen ze in zelfgemaakte hangmatten tussen de bomen, maar als het schemerde begon de zoektocht naar voedsel. Hoewel ze vegetarisch waren, was geen enkele Draet ooit meelevend genoeg om iemand die in de weg stond met rust te laten. Wie enkele duizenden kilometers de lucht in wilde worden gegooid, kon dat het beste bereiken door een Draet te irriteren. En omdat de beesten zo krachtig waren, was Draet al jaren de familienaam van de burgemeester zijn stam.

Om onschuldige avonturiers toch te beschermen stond aan het begin van het gebied een magische, onzichtbare poort. Als je er doorheen liep werd de enige bewoner – de neef van de burgemeester – gewaarschuwd. Hij zou je beschermen. De energie voor dit grootse systeem haalde hij uit de duizenden zonnekamelen in zijn omgeving. Hij was de baas van het bos. De beheerder van beesten.

Behalve één beest: de Klopdag. Deze kon als enige de val van de klif, of het vuur van de draak, overleven. Niemand kon hen controleren of gevangenhouden. Ze konden verder reizen dan feeën ooit waren geweest. En ze waren slim. Ongelofelijk slim. Over de jaren hadden ze alles afgekeken van de feeën en zichzelf aangeleerd. Zodoende had de neef van de burgemeester, Treppo, dag in dag uit maar één taak: de Klopdagen te vriend houden, in ruil voor hun bescherming.

In het diepst van de nacht, toen zelfs de lantaarnpalen niet genoeg licht gaven om het bospad te herkennen, ging het alarm af. Van vijf kanten tegelijk stroomden wezens het gebied in. Treppo was net nog enkele seconden van diepe slaap verwijderd, maar schoot nu van zijn stoel. Hij beval de klopdagen om alles in de gaten te houden, terwijl hij de burgemeester vroeg of dit onderdeel van de HDVHKA-missie was.

De Help-Delamora-Van-Haar-Kont-Af missie was inmiddels al bijna door heel het land bekend. Zodoende kwamen niet alleen de inwoners van het Delemoradorp, inclusief de acht dwergen, maar ook wezens uit alle andere streken. De Krakko bostrollen kwamen als eerste. Die wilden natuurlijk hun lelijke neus in interessante zaakjes steken, zeker als het om geheime operaties ging.

Treppo kreeg bericht dat alles volgens plan ging en opende beide deuren. Hij vroeg zich of ze die wel zouden vinden in het donker, maar toen even later de Krakko’s de achterdeur letterlijk platliepen had hij zijn antwoord. Zonder uitnodiging of aankondiging waggelde iedereen naar binnen.

‘Goed je weer te zien, Treppo!’ begon de eerste bostrol.

‘Eh … wie ben jij?’

‘Nog gefeliciteerd met je verjaardag!’

‘… ik was vijf maanden geleden jarig.’

‘Normaal gesproken doen wij het niet, wij bostrollen, maar jij, onze grote vriend, krijgt van ons toch een heuse felicitatie hoor!’

‘Dat hoeft niet –’

‘Wat een mooi huis!’ gilde een volgende binnenkomer. ‘En die petunia’s … prachtig!’

‘Het … het zijn geen petunia’s,’ zei de tuinfee, waarvan iedereen zich afvroeg wat zij hier te zoeken had. Ze was ooit vijf dagen vergeten te eten omdat ze zó onder de indruk was van een grassprietje. ‘Maar verder is het inderdaad prachtig ingericht.’

Zijn hand was inmiddels lam van al het schudden. Zijn voorliefde voor wiskunde dwong hem om bij te houden dat er precies 115 gasten waren. Dat paste wel, dacht hij, en anders tover ik wat extra ruimte tevoorschijn. Toen hij zich omdraaide zat iedereen al klaar, druk in gesprek met wezens van allerlei soorten en maten. Ook het eten en drinken hadden ze al zelf uit de kasten gehaald.

Treppo drukte op een grote knop, die de lampen dimde en het scherm aandeed. Het werd snel stil. Op het scherm kwam een projectie van Delamora en haar bezigheden.

‘Van harte welkom,’ begon Treppo, ‘ik ben jullie gastheer op deze avond, die hopelijk nog vaak herhaald zal worden. Ik ben verbaasd dat jullie allemaal zo snel konden komen –’

‘Ja, Delamora had me bijna te pakken hoor! De F22 was afgesloten, dus ik moest wel langs haar huis, en toen had ze me gezien! Ze vroeg waar ik heenging met alle mensen uit mijn dorp, zo laat nog. Ik wist even niks, dus toen heb ik maar een Bastabezwering uitgestoten.’

‘Een Bastabezwering?! Dan wordt ze toch juist boos?’

‘Niet op mij. Ik richtte mijn gedachten op haar voortuin, dus toen werd ze helemaal wild op haar vlinderstruiken.’

‘Dat is best … grappig!’ gierden alle bostrollen tegelijkertijd.

‘Nou,’ riep Treppo over het lawaai, ‘allemaal heel gezellig, maar ook feeëntijd is zeldzaam. Hier ziet u Delamora en wat ze op dit moment doet. Ze is nu – eh – haar oven aan het verschonen, denk ik. Maar, ik heb interessante beelden van eerder op deze avond. Ik zal ze aanzetten – kijk en huiver!’

Een kort flitsje en het filmpje startte. Delamora was bezig met nieuwe cupcakes maken, terwijl ze al haar handelingen opschreef in een notitieboekje. Ze was altijd van plan een wereldberoemd cupcake-boek te maken. Velen keken hiervan op: zo georganiseerd werd Delamora nooit ingeschat. Alles was al klaar … maar toch pakte ze nog een tube. Er stond niks op; het was slechts in felrode kleur geschilderd. Dat kon je makkelijk zien, want haar schilderkunsten waren niet hoogstaand. De telefoon ging, en ze plaatste de tube snel naast een schaaltje cupcakes voor het raam. Ze werd boos over deeg dat te laat binnenkwam – maar dat kon ook komen door de Bastabezwering – en hing gefrustreerd op. Toen keek ze verschikt naar het raam en haalde haastig de cupcakes en tube weg. Als laatste strooide ze sprinkeltjes – zelf uitgevonden glazuur-glitter – uit de tube over haar cupcakes. Ze borg de tube zeer veilig op, zette de cupcakes terug voor het raam, en toen stopte het filmpje.

Geroezemoes steeg op, maar Treppo riep om orde en centrale bespreking. Hij had van de burgemeester geleerd hoe je menigtes stil kreeg door moeilijke woorden te gebruiken. Niet geheel onverwacht werkte het niet; één van de Delta-feeën stond op en nam het woord.

‘Ten eerste: glazuur-glitter is niet goed voor de feeënbevolking. Uit onderzoek aan onze universiteit blijkt dat dit mensen dikker maakt. Maar niet rond de kont, jammer genoeg, dus dat verklaart niets. Het maakt dik rond de buik, en het maakt dorstig. En als er iets is wat we niet hebben in Delfa, is dat water.’

De Delfa was een gebied middenin feeënland met vooral aandacht voor scholing en onderzoek. Ze waren de oprichters van dit gebied, en werden al jaren geprezen met prijzen als “Mooiste fee van het jaar”. Iedereen dacht dat het kwam omdat ze door hun kennis precies wisten welk eten en drink gezond was. Het nadeel was dat ze al hun tijd besteedden aan het maken en verkopen van schoonheidszalfjes, hoe hard iedereen ook riep dat ze onderzoek moesten doen naar zinnige dingen. Een ander nadeel was dat de zon in dit gebied nooit onderging, en dus was al hun water al lang geleden verdampt.

Niemand wist wat ze met de uitspraken van de Delta-fee moesten. De volgende in de kring nam automatisch het woord.

‘Dit filmpje roept vragen op. Waarom mocht het niet voor het raam? Wat is er speciaal aan die tube? Waarom kan ze voor geen meter verven, maar wel ontzettend goed cupcakes versieren? Oké, die laatste vraag dan niet. Maar als we dit kunnen beantwoorden zijn we dichter bij de oplossing.’

De grootste van de Krakko bostrollen stond bekend om briljante nadenkwerk. Hij besloot om de discussie nu te beëindigen, want hij was klaar met al dat geneuzel.

‘De eerste vraag is simpel te beantwoorden. De cupcakes mogen wel voor het raam, de tube niet. Waarom niet? Omdat er iets speciaals is met de tube. Wat is er dan speciaal aan de tube? Iets waardoor de mensen van buiten het niet mogen zien. Waarom maakt ze het dan zo’n opvallende kleur? Zodat ze er geen label op hoeft te plakken voor wat het is, maar ze het wel nog kan herkennen. Waarom wil ze niet dat mensen er ooit achter komen wat erin zit? Meerdere mogelijkheden. Of het is een geheim recept dat niemand mag weten, of het is iets waarvan men niet mag weten dat ze het erop doet. Die tweede optie kan je weer onderverdelen, in: het is inderdaad iets van een geheim recept en als men weet dat het er op zit kunnen ze het bestuderen en onderzoeken, of er is iets speciaals met de sprinkeltjes dat niet te maken heeft met eten.’

Het was stil. Iedereen dacht zeer diep na. Treppo zag zijn kans schoon, en ging weg om extra eten en drinken te halen, maar toen hij terugkwam was de chaos weer losgebarsten en moest hij iedereen tot rust manen. Dat lukte pas toen hij verkondigde dat er weer voedsel was. Ook merkte hij dat de bakker en de hoteleigenaar er niet waren – die bleken achtergebleven om te zorgen dat Delamora sowieso thuisbleef.

‘Goed, na dat hele lange, lange verhaal van Krakko –’

‘Hé!’

‘– hebben we twee mogelijkheden: geheim recept of iets extras. We weten het antwoord als we één ding weten: wat zit er in die tube?’ Kiki, de knapste van de Delfa-feeën, had met dit simpele voorstel iedereen meteen mee. Ze besloot zelf de vraag morgen te stellen.

‘Maar dat is opvallend. Je moet een reden hebben om naar de winkel te komen.’

‘Eh – nou – iets van: ik hoorde van je magische cupcakes, ze zijn beroemder dan je denkt!

‘Kan iemand haar wat acteerlessen geven?’ zeiden de Krakko’s geïrriteerd. ‘Dit kwam eruit zo stroef als een roestige schroef.’

‘Hé!’

Iedereen stemde in. Men stond meteen op, nam hun geliefde uitgang, en vertrok. Eerst natuurlijk de Delfa-feeën: dat was een ongeschreven regel. Ze stapten naar buiten, knipten in hun vingers, en verdwenen meteen de duisternis in. De burgemeester verliet als laatste het pand.

‘Tot kort, neef, en pas goed op jezelf. En je huis, want die is veel te mooi.’ Ook hij ging met de luchtkoets terug naar zijn bed. Treppo deed de deur maar snel dicht, want het sterrenstof wat achter een opstijgende koets uitkomt kan een sterke verkoudheid doen oplopen.

 

 

 

Hoofdstuk 7

Toen Delamora vrolijk wakker werd was het nog vroeg in de ochtend. En in feeënland is dat ook écht vroeg, omdat de ochtend eerder begint. Neuriënd rende ze de trap af, voor zover dat ging met haar kont, naar haar keuken. Deze was verborgen in een kledingkast aan de achterkant van haar huisje. Niemand mocht haar geheime recepten ontrafelen. Zelfs de trap naar haar slaapkamer en zolder zaten verborgen in andere kasten. Nu haar kont steeds groter werd had ze soms wel spijt van haar beslissing alles in kleine geheime ruimtes te stoppen.

Eenmaal beneden vroeg ze zich af waar de zeven dwergen waren gebleven. Ze had hun een magisch nummer gegeven en besloot deze te bellen. Zo’n magisch nummer was een reeks figuren met eerst een N, dan vijf cijfers, en dan een F. Als je dit uitsprak, kreeg de uitvanger een berichtje in zijn oren dat iemand hem probeerde te bellen. Die ander hoefde dan slechts “ik neem op” te denken, en je had een gesprek. Dit systeem was jaren geleden bedacht door één van de bekendste uitvinders aller tijden: de Egyptische staartkabouter Pien Kevelien. Peter de Dikke had het systeem later overgekocht, wat hem bijna de helft van al zijn geld kostte. Gelukkig was hij niet gierig, en maakte het systeem bekend door het hele sprookjesrijk, waardoor iedereen elkaar nu zomaar kan bellen.

Ze zag haar notitieblokje open op de tafel liggen en borg deze snel op. Domme Delamora, dacht ze, dit boekje wordt goud waard, dat laat je niet zomaar rondslingeren. Ze had ook eigenlijk helemaal geen tijd om mensen te bellen. Ze had ook zoveel opdrachten om af te ronden, en een afspraak met de Delfa-feeën, dan moest ze ook nog haar beste kleding aandoen en de beste cupcakes uit haar voorraad pakken, en de dwergen konden elk moment weer langskomen!

Uit voorzorg sloot ze alles zoveel mogelijk af. Ze keek naar buiten; deze keer geen rij. Maar in de verte kwam wel iemand aanlopen. Nu moest ze haastten om de tafeltjes op tijd buiten te zetten. Met ingeklapte tafels onder haar oksels liep ze naar de voordeur … maar haar kont paste er niet meer doorheen! Ze keek verdrietig naar haar achterwerk. De klant kwam steeds dichterbij. Ze vertelde haarzelf dat ze niet moest treuren, maar moest doorwerken!

Ze liep terug naar achteren om alle cupcakes tevoorschijn te halen. Het eerste schaaltje had ze pas net gepakt, toen het belletje van de voordeur rinkelde.

‘Joehooooe! Ik ben er, Kiki! Waar is mijn Delamoraaa?’ klonk een hoge, schattige meisjesstem. Ze was ontzettend vrolijk. Maar dat kon ook zijn omdat ze gisteren nog een feest had in Delfa. Gezien de zon nooit onder gaat, bepaalt iedereen zelf wanneer ze gaan slapen, en is iedereen gewend om soms wel dagenlang door te blijven gaan.

Ze was ook naar haar stemming gekleed: helemaal paars met een dikke roze riem rond haar middel. Ze zweefde, zelfs binnenin de winkel. Na jaren van oefening kon ze dat eindelijk aan iedereen laten zien. Ze had zelfs geen schoenen meer aan.

Delamora schrok. Ze liet de cupcakes toch maar achteren staan en holde terug om een Kiki te vinden die inmiddels bijna over de toonbank klom om het snoep aan te raken.

‘Kiki! Wat fijn je weer te zien! Kom hier, geef me een knuffel!’ Kiki wilde bijna zeggen dat ze graag zou willen, maar dat er een kont in de weg zat, maar dat deed ze maar niet. Een ietwat ongemakkelijke knuffel later probeerde Kiki een gesprek op gang te krijgen.

‘Dus, al een prins op de witte eenhoorn gevonden?’

‘Soort van. Maar ik ken jou, roddeltante! Haha, nee, ik houd het liever eventjes geheim. Jij?’

‘Oh, zeker wel. We zijn zelfs al verloofd. Ik en Jonathan. Het gaat een magisch huwelijk worden.’

‘Leuk!’ Waarom heb je dat mij niet eerder verteld, vroeg Delamora zich af. ‘En je studie gaat goed?’

‘Natuurlijk. De Delfa-universiteiten zijn de beste!’ Kiki leek te hebben gevonden wat ze zocht. Haar blik bleef hangen op een obscuur klein kastje dat een beetje losstond van de rest, onder de magische zwevende oven. Delamora mocht niks merken natuurlijk. Kiki legde haar armband snel op de plek van de tube, en richtte haar concentratie weer volledig op Delamora.

‘Maar, de rest komt niet?’

‘Nee. Ze hadden proefwerken. Ik ook, maar ik had gewoon goed geleerd, want ik wilde ons afspraakje dus echt niet missen! En ja, misschien komt Lissie nog. Ze geeft niks om cijfers.’

‘Gekke Lissie toch! Altijd hetzelfde met haar!’ Wie is Lissie in vredesnaam, dacht Delamora. ‘Laat me anders wat cupcakes uit de achterkamer halen om samen van te smullen!’

‘Ik houd je niet tegen.’

Delamora liep fluitend weg. Kiki zag haar kans schoon om de tube verder te bestuderen. Het originele plan was natuurlijk om Delamora netjes ernaar te vragen. Maar dat zou ze toch nooit beantwoorden. Misschien voelde ze zich wel beledigd, of kreeg ze door wat de rest allemaal van plan was. Ze wilde haar vriendschap niet verpestten.

Uiteindelijk besloot ze de tube maar gewoon te pakken. Ze deed haar armband meteen weer om, zodat ze geen sporen achterliet. Toch nog wat geleerd van de bostrollen, dacht ze. Ze klapte zelf de tafeltjes uit, die nog steeds binnen stonden, en nam plaats. Buiten zag ze enkele kinderen spelen, en in de verte de burgemeester praten met de bakker. Ook liepen acht vreemde, ontzettend kleine figuren over de daken richting het andere uiteinde van het dorp. Ze ging naar voren zitten en schoof het gordijntje opzij om beter zicht te krijgen, maar toen kwam Delamora al terug met haar handen vol schalen cupcakes, en Kiki moest te hulp schieten.

‘Dank je, dank je! Zet deze maar voor de ramen, die andere twee eten we lekker zelf op! Ha!’

‘Mmm, nu al zin in,’ en Kiki likte haar lippen. In haar ooghoek zag ze dat ze de deur van het kastje had opengelaten. Ze stond op en liep naar achter, terwijl ze met Delamora bleef praten. Met haar rug probeerde ze het deurtje dicht te duwen, maar het ging te hard, en het deurtje brak bijna af.

Delamora keek verschrikt op. ‘Wat doe je?’

Kiki liet snel haar ketting vallen en deed alsof dat geluid daardoor werd veroorzaakt. Niet geloofwaardig genoeg, dacht ze. Ze riep loeihard ‘Au!’ en aaide over haar hoofd, alsof ze die gestoten had.

‘Ah, schatje toch,’ zei Delamora met een lach op haar gezicht, en nu schoot zij Kiki te hulp.

Kiki pakte haar ketting op en nam weer plaats voor haar cupcake-ontbijt. De tube, die zat stevig in een vakje van haar handtas.

 

 

 

 

Hoofdstuk 8

Delamora was ergens wel opgelucht dat Kiki weg was. Het was heel gezellig en alles, maar vijf uur onophoudelijk praten was wel weer genoeg. En dan te bedenken dat Kiki eigenlijk nog langer wilde blijven. Ze maakte de tafel schoon op haar karakteristieke manier: alle kruimels op de grond gooien en vanavond alles opzuigen.

Ineens zweefde een geel briefje voor de grote magazijnkast, vlak naast haar hoofd. Vroeger gebruikten ze post-its, maar die lieten nog wel eens los, en dan waren feeën hele belangrijke herinneringen kwijt. Toen stapten ze over naar gele briefjes die als het ware voor een bepaald oppervlak blijven zweven. Als er een datum opstaat, en die datum is al bijna, komt het briefje naast je zweven om je te herinneren. Het enige probleem is dat ze een beetje een eigen leven leiden, en wel eens weg willen vliegen om zichzelf ergens anders op te plakken, waarna mensen zich ’s nachts kapot schrikken als een stoet gele briefjes vlak langs hun hoofd scheert.

Het briefje las: ‘brood halen, bereid je voor – waar zijn smurfen?’ Niemand kon haar briefjes ontcijferen. Maar voor haar was dit klinkklare taal, want ze knikte, gevolgd door een zachte ‘ahja’, en pakte haar portemonnee. Daarvoor moest ze eerst met een moeilijke spreuk haar kluis openen, want als iets haar lief was, was het wel haar portemonnee. Daarin zat niet alleen geld, maar ook foto’s van al haar reizen, en dierbare brieven van vrienden en vriendinnen.

Ze greep de portemonnee, sloot de winkel, en teleporteerde naar het dorpsplein. Lopen ging haar te ver. Natuurlijk moesten ook feeën hun dagelijkse beweging krijgen, maar dat lukte al eens per week als ze ging feeëntennissen met haar vriendin Truus van het naaste dorp Redje. Haar grote kont hielp enorm met het opvangen en afkaatsen van ballen. Jammer genoeg durfden daardoor steeds minder mensen tegen haar te spelen.

Het was uitgestorven op het dorpsplein, wat kon komen door de plotse omslag in het weer. Hoe hard feeën het weer ook probeerden te beheersen, het was ze nog nooit gelukt. Ze konden stormen niet tegenhouden, maar aan de andere kant ook niet per ongeluk stormen opwekken.

Gelukkig maakten de vele lampjes alle winkels en voorgevels vrolijker. Want donker was het zeker. Het regende nu nog zachtjes, maar het zou snel beginnen met hagelen. Ah, dacht ze, eindelijk komt mijn paraplu van pas. De hekken van het feest gisteren waren blijven staan, dus moest ze een omweg nemen naar de bakker.

Het plein bestond namelijk uit twee delen, verbonden door een brug over een klein riviertje. Even verder stroomde deze van de klif af, in de grote zee, wat bekend staat als De Waterval. Het eerste deel was makkelijk te bereiken, dus had men daar het hotel, café, supermarkt, en alle andere belangrijke dingen geplaatst. Als men over de brug liep, die niet al te breed was, kwam je bij de bakker, het gemenetehuis, en de Fee&D. Maar voor zo’n wild feest als gister was de brug te gevaarlijk, en het water te diep, dus moest men het met toverhekken afschermen.

Ze was moe van al het gedoe en merkte dat ze helemaal geen zin had om een omweg te nemen. Al die plassen waar ze steeds instapte maakten het niet beter. Dan maar toveren. Met nieuwe magie moet je zeer uitkijken, was haar altijd verteld, maar de persoon die dat vertelde was juist verongelukt toen hij te oude magie gebruikte, dus dat advies negeerde ze maar. Ze keek om haar heen. Niemand die ze iets aan kon doen, en vooral niemand die haar uit kon lachen. Het was bijna verdacht stil op het normaal drukke plein.

Achter zich was de zandweg modderig door de opzwellende regen. Donkerder dan dit kon het niet worden om drie uur ’s middags, dacht ze. Ah nee, toch nog iemand. Een man kwam de hoek om, zijn pluishond naast zich. Ze kende hem; vroeger had hij een winkel naast haar. Ze zuchtte, rende de hoek om, kruiste haar vingers, en probeerde precies van het eerste naar het tweede deel te teleporteren.

‘WAT KRIJGEN WE NOU!?’

De bakker kreeg nog net geen hartaanval. Ineens stond Delamora recht voor zijn neus, op de toonbank. De bakker was nooit de langste geweest en leek nu een van de zeven dwergen. Hij wierp spontaan het verse, warme, net gebakken brood uit zijn handen tegen Delamora aan. Zij gleed uit, viel van de toonbank, en bereidde zich alweer voor op een harde landing op de nog hardere vloer.

De enige klant in de winkel schoot te hulp en toverde een kussen onder haar. Een zachte plof later bleef ze met haar ogen dicht liggen. Wat een schande, dacht ze. Gelukkig stuitert ze niet, dacht de bakker.

Door het duister van de buitenwereld leek het licht van de bakker nog feller. Delamora deed moeizaam haar ogen open. Om het nog erger te maken scheen de bakker een lichtje in haar ogen. Jahoor, dacht ze, hij denkt dat hij ook nog een dokter is. Haar zicht was even wazig, maar gelukkig was haar gehoor altijd even scherp.

‘Dat had een flinke smak kunnen zijn. Bedankt, meneer Hart, voor uw kussenmagie. Haha, slechte woordgrap. Voor ik vragen ga stellen als wat deed jij op mijn toonbank?, wil ik eerst vragen hoe gaat het met je?’ Hij stak zijn hand uit. Delamora wist die na enkele pogingen te grijpen. Pas toen ze stond gaf ze antwoord.

‘Nou ja, het is wel eens beter geweest. Maar ik ben niet gewond, dus stop nou maar met doen alsof je om me geeft.’

De mond van de bakker viel open. Het duurde even voor hij zich herpakte. ‘Je hebt mijn vraag nog niet beantwoord.’

‘Ik dacht: ik tover me even naar jouw winkel. Maar in diezelfde gedachten leek jouw ingang iets meer naar het westen te liggen.’

‘Dat heb ik gezien ja! Nou, er moet vast wel een hele speciale reden zijn om mijn winkel na al die tijd weer te bezoeken, denk je niet?’

‘Dat denk ik zeker, en die reden heb ik.’

‘Oh, dus je ontkent het niet?’ Hij draaide naar de kussentovenaar. ‘Meneer Hart, ik moet u even verzoeken de winkel te verlaten. Het spijt me u de hagel in te sturen.’

‘Geen probleem … als ik Delamora’s paraplu zou mogen lenen?’ Met pijn in haar hart overhandigde Delamora, nog een beetje trillerig, haar paraplu. Ze merkte nu zelf pas dat ze altijd, en dan ook echt altijd, met dat ding rondliep en hoe het voelde om hem te missen. Maar tijd voor sentiment had ze niet.

‘Wil je praten over wat er is gebeurd? Of heb je eindelijk jezelf opzijgezet?’

‘Of ik wil gewoon brood kopen.’

‘Als dat zo was had je me al veel eerder opgezocht. Dat weten we allebei.’

‘Ik heb gelijk. Dat vind ik nog steeds. Maar ik heb het recht om hier te komen, zónder problemen.’

De bakker gromde en draaide naar achteren om nieuw brood te pakken. ‘Dat recht heb je, het gelijk ga je nooit krijgen. Hoe kan je het nou normaal vinden om zonder geldige reden of verklaring zomaar een maand te verdwijnen? WETEND dat hier mensen op je wachtten, en je nodig hadden, je meer dan nodig hadden?’

‘Het was ook mijn eerste keus, Henk! Ik moest wel. Mijn hele familie, vriendengroep, hebben en houden stond op het spel.’

‘Maar IK was toch je hele hebben en houden?! Wat is nou belangrijker? Liefde of ego?’ Henk praatte almaar luider en luider.

‘Er was nooit liefde!’ Haar stem sloeg over. ‘Ik vind je leuk, dat wet je, maar dat jij daar misbruik van maakt kun je geen liefde noemen. En ik heb de geruchten wel gehoord. Mijn ego is even groot als mijn kont. De roddels. En jij doet vrolijk mee. Jullie zijn alleen aardig omdat jullie me nodig hebben.’

‘Er was wel liefde! Er … er is liefde! En je denkt dat we je nodig hebben? Denk je dat we daarom goed met je omgaan? Die kont is een probleem, ja, we proberen je te redden omdat je dat zelf blijkbaar niet kan!’

Met die woorden was het voor Delamora genoeg. Ze sloeg haar vuist op tafel. Henk gooide haar twee willekeurige broden van het schap toe en riep dat ze het wisselgeld kon laten zitten, terwijl zij woedend de winkel uitstormde. Bij dit soort gelegenheden had ze haar kont mee, want daarmee vernielde ze de deuropening van de winkel. Nu hagelde het ook bij de bakker binnen. Henk bleef verbluft staan.

Het weer typeerde de stemming van beide personen die avond. De bakker dacht er nog lang over door. Voor hem was het nooit afgerond. Hij wilde haar achterna, maar dan leek hij hopeloos. Hij wilde het afsluiten, maar daarvoor voelde hij teveel voor Delamora. En hij kende haar: zij had dit vast allang van haar afgezet. De rest van de dag repareerde hij zijn deur, zeker omdat vanavond nóg erger weer was voorspeld.

Tijdens het werk keek hij vluchtig over zijn schouder. Nee, Delamora stond er niet meer. Ze was niet blijven kijken. Er zat alleen een doorweekte pluishond voor zijn deur te kwispelen om eten.

 

 

 

 

Hoofdstuk 9

Het wordt elke keer voller, dacht hij. Treppo besloot ditmaal op zijn dak te staan, zodat iedereen zijn huis beter kon vinden. Ook kon hij nu inschatten in welke getale ze kwamen, zodat hij tenminste genoeg voedsel kon klaarzetten.

De Krakko bostrollen waren zoals altijd exact op tijd. Deze keer hadden ze vele vrienden meegenomen. Trappo werd door de stoet bostrollen vriendelijk begroet, wat ongewoon was voor hun doen, waarna ze al meteen binnen een paar glazen kapot lieten vallen.

De volgende groep bestond uit spierwitte, in het donker glanzende eenhoorns. Zij waren de snelste wezens ter wereld en kwamen dan ook haast ongezien binnen. Treppo kon zich niet herinneren dat deze verblindende bakens licht er de vorige keer ook bij waren.

De delegatie van Delamora’s was ook gearriveerd en liep gehaast het pad af, richting de wijd openstaande voordeur. Waar blijven die Delfa-feeën, dacht Treppo, zij zijn juist het belangrijkst! Hij bleef nog een minuut op de uitkijk, maar nadat al vijf verschillende vleermuizen in het pikdonker tegen zijn hoofd waren geknald, vond hij het genoeg geweest.

Ook enkele tovenaars en heksen kwamen op het laatste moment binnen. Zelfs de minister van Ongewone Zaken (OZ) landde niet al te zacht met de luchtkoets in Treppo’s voortuin. Hij zette zijn petje recht, deed alsof er niks aan de hand was, en begroette de bakker vrolijk. Samen liepen ze naar binnen.

In de kamer was het weer een grote rotzooi, maar de aanwezigheid van enkele hooggeplaatste personen hield het nog on het gelid. Treppo keek de kamer rond. Zijn schilderij aan de rechtermuur was ineens weg, en zijn opgezette bever, waarmee hij zelfs een prijs had gewonnen, was ook verdwenen. Daar maakte hij zich later wel zorgen om. De burgemeester zag hem rondkijken en tikte hem aan.

‘Boris en zijn vrienden zijn er niet. Ze hadden een feest in het Bedrogen Bos.’

‘Hebben ze hopelijk wel goede instructies gekregen.’

‘Jazeker, jazeker. Ik heb ervaring met het Bedrogen Bos; ik weet precies wat je er moet doen.’

‘Ahja,’ zei Treppo, terwijl hij herinnerde dat hij ooit hopeloos verdwaald was toen ze met de hele familie van de burgemeester door het bos een speurtocht hadden. ‘Wat een bos is het toch, het stelt je echt op de proef!’

De burgemeester knikte uitbundig. ‘Begin nu de avond maar, voordat de hel hier losbreekt!’

‘Goed plan.’ Treppo had de hele week nagedacht hoe hij de menigte stil kon krijgen. Uiteindelijk had hij een filmpje gemaakt. Onder opzwepende muziek, telde het af van 10 tot 0, om uiteindelijk in sierlijke letters “Welkom!” te doen verschijnen. Hij keek er nog eens naar, en was trots op zichzelf. Gelukkig had het de zaal ook stil gekregen.

‘Beste gasten, aanwezigen, vrienden. Dit is alweer de tweede bijeenkomst over het probleem met de kont. Ik wacht nog op de Delfa-feeën, maar die – eh – komen vast elk moment. Oh ja, ik heb vernomen dat er weer problemen waren met Delamora’s kont?’

‘Jazeker mijnheer,’ begon een eenhoorn, ‘dat is ook de reden van onze komst. Delamora kwam laatst met haar cupcakes langs bij de douanemarkt. Het was al even geleden, maar we hoorden pas net van deze missie, vandaar. Binnen de kortste keren had ze iedereen rond haar kraampje staan, terwijl om de hoek de beste cupcakewinkel uit heel eenhoornland stond! En toen werd het nog erger: aan het einde van de dag duwde ze met haar kont alle kraampjes rondom haar kapot! We hebben weken moeten repareren, en goedmaken, en onze handelaars hadden geen inkomen meer! Dit probleem loopt de spuigaten uit!’

Een luid applaus volgde. Treppo besefte nu pas hoe ernstig het kontprobleem eigenlijk was. Misschien had hij niet zo’n olijk introductiefilmpje moeten doen.

Een knal klonk. Vuurwerk spatte tegen de ramen. Nog meer vuurwerk, nu in vijf andere kleuren, spatte links en rechts tegen de ramen en het gras van de voortuin. Toen het hele gras bezaaid was met de prachtigste kleuren, verscheen een groep Delfa-feeën, die naar binnen liep alsof ze topmodellen op een catwalk waren.

‘Sorry dat we zo laat zijn. Lissie en Roja hadden problemen met hun toverdrankentest. Nou ja, ze hadden spletterspul gemaakt en dat splettert natuurlijk, dus ze zijn twee dagen bezig geweest met zichzelf wassen! Verder zijn ze wel geslaagd denk ik. In ieder geval, Kiki is in een diepe slaap gevallen, dus ik ben hier met haar onderzoeksresultaten.’

Ze wilden op de voorste rij gaan zitten, maar stonden halverwege hun wandeling stil. ‘Nou ja zeg!’ riep de voorste vrolijk. ‘Ik wist niet dat de zeven dwergen ook kwamen! Hallo Teun, Pleun, Dreun, Kleun, Steun, Leun en Föhn!’

‘Hallo! Eindelijk iemand die ons ziet zitten.’

‘Goede woordgrap, Teun.’

‘Hou je mond, Föhn!’

‘Oh. Ik had jullie helemaal niet gezien,’ stamelde Treppo. ‘Ik was al zo verbaasd dat de voorste rij helemaal leeg was.’

‘Dat heeft meer met u te maken, denken wij.’

‘Treppo,’ zei Lissie, ‘ik gebruik even het magische netwerk voor mijn presentatie, oké?’

‘Alles best,’ zei Treppo, en hij wandelde zo snel mogelijk uit de drukke kamer.

‘Kiki heeft de mysterieuze tube hoogstpersoonlijk in beslag genomen en het onderzoek uitgevoerd. Hieruit vonden we drie stofjes: de eerste was gewoon glazuur, de tweede was kleurstof, en de derde een magische stof. Die eerste twee had ze al toegevoegd aan haar cupcakes, dus die lijken onnodig. Die laatste … ik weet het niet. Er zijn magische stoffen die je slanker maakt – mits je er niet teveel van inneemt – maar slank is ze – eh – zeg maar niet.’

‘Wat dan?’ onderbrak Krakko geïrriteerd. ‘Ik kan niks bedenken dat in die stof zit.’

Lissie deed een vreugdedansje. ‘Wij wel! Wij hebben gewonnen van de bostrollen!’ Toen ze merkte dat de rest van de zaal minder vrolijk was, fatsoeneerde ze haarzelf, en ging door met de presentatie. ‘Magie kan veel. Er zijn al vaker zogenaamde liefdesbonbons verschenen. Je geeft je geliefde wat bonbons en weet zeker dat hij voor je valt. Maar het recept hiervoor is altijd geheimgehouden door de magische overheid … dus hoe Delamora hieraan komt, geen idee!’

‘Nou, dan is het simpel –’

‘Niet onderbreken, Krakko! Ik ga net zo lekker. Wezens verliefd maken met magische stoffen is bij wet verboden, maar we kunnen haar niet vals beschuldigen, of zonder bewijs. Dus we moeten uitvinden hoe ze aan het recept is gekomen. Vrijwilligers?’

Henk stond op. Hij sloeg zijn ogen naar de grond, verliet de kamer, en holde haast naar buiten. Treppo was de enige die hem volgde.

‘Oké, Henk niet, denk ik dan. Anderen?’ Niemand deed of zei iets. ‘Dan krijgen jullie allemaal huiswerk. Zoek uit waar ze is geweest, waar ze regelmatig komt, waar ze recepten en ingrediënten vandaan halt, en ander tovergedover.’

Iedereen fluisterde weer door elkaar heen. De Delfa-feeën wilden bijna vertrekken, toen Treppo ineens binnenkwam en hen tegenhield.

‘Allemaal leuk en aardig, maar Delamora zal toch ergens een keer iets in de gaten krijgen?’

‘Ze is misschien zelfs al begonnen met de zoektocht naar de dwergen,’ onderbrak Krakko weer. ‘Ze zal hen eerst bellen, of een kaartje sturen, maar daarna zal ze zelf op zoektocht gaan …’

De minister van Ongewone Zaken mengde zich ook in het gesprek. ‘Op het ministerie zijn we Delamora al vaker kwijt geweest. Dan was ze verdwenen, plotseling, zonder iets van een bericht achter te laten. We hadden dagen gezocht, totdat bleek dat ze gewoon in alle haast naar de grote bakkersbeurs was vertrokken. Zelfs Henk wist er niks vanaf!’

‘Hoe dan ook,’ zei een eenhoorn, ‘als ze bij ons aanklopt zijn jullie de eerste die het weten!’ Alle gasten kakelden meteen weer door elkaar.

‘Dat is niet nodig,’ schreeuwde Treppo erbovenuit, hopend op stilte, ‘we hebben altijd het zendertje nog.’

‘Och, konden we maar in haar gedachten kijken …’ zeiden de dwergen.

‘Is het alweer 14 feeën-uur? Ik moet snel terug naar het ministerie! Wat jullie ook doen, weet dat magie om andermans gedachten te lezen streng verboden is!’ De minister van OZ liep richting het raam. Hij koos altijd leuke manieren om te verdwijnen. Hij was van plan door het raam te springen, maar dan vlak voor het raam zichzelf te teleporteren naar het ministerie. Dat zou een leuke stunt opleveren. Hij pakte zijn koffer en begon te lopen, maar één van de Delfa-feeën hield hem tegen.

‘Kunt u een bevel regelen? Voor het gedachtenlezen?’

‘Dat gaat lang duren, maar ik kan het proberen. Weet dat ik niet mijn hoge positie op het spel ga zetten wegens iemands kont!’ Met die glorieuze woorden verliet hij het gebouw. Nu hij weg was, was er weinig meer om over te praten.

Treppo liet stiekem zijn klok wat sneller lopen. De gasten verlieten snel in groepjes zijn huis, en de volgende zon was al bijna opgekomen toen de laatste tovenaar, rijdend op een eenhoorn, het gebouw verliet.

 

 

 

 

Hoofdstuk 10

Delamora schrok wakker van iemand die op een eenhoorn door haar straat sjeesde. Ze stond rap op, schoof het gordijn opzij, en zag door haar raam dat in opmerkelijk veel huizen nog licht brandde. De lantaarnpalen schenen feller dan normaal. Dat was bijzonder, want in feeënland gaan ze pas aan als er iemand langsloopt, en schijnen ze feller als er groepen mensen langslopen. Dat was heel handig, want ’s nachts stiekem dingen uithalen was er zo niet bij, én het bespaarde energie.

Het slechte weer van afgelopen dagen leek weggevaagd. Alles was weer droog en klaar voor een zonnige dag, die niet al te lang meer op zich liet wachten. Ze bleef kijken – hopend op een verklaring – maar niks verscheen. Ze rolde terug in haar bed. Letterlijk, want met alle rommel én een gigantische kont was er geen andere keuze. Haar hoofd raakte pas net haar kussen toen een herinnering binnenschoot: ze moest de dwergen nog bellen. Ze schreef het op een geel briefje en liet deze boven haar zweven.

Enkele uren later werd ze wakker in fel ochtendlicht. Het briefje zweefde nog steeds boven haar en duwde nu bijna tegen haar neus. Ze greep het vast, verfrommelde het, en rolde langzaam uit bed. Tussen stapels verfrommelde briefjes, waarop veelal ideeën stonden voor haar eigen boek, vond ze het telefoonnummer. Ze riep: ‘N40285F!’ Achteraf had ze dat liever zachter gezegd.

De telefoon ging over; elke seconde een piepje. Na twee volle minuten was er nog steeds geen antwoord en hing ze op. Vreemd, dacht ze. De dwergen waren ineens weg, terwijl ze nog zoveel moesten regelen!

Ze hoorde al eventjes getik op het raam achter haar, precies tussen de piepjes van de telefoon in. Ze keek achterom. Het was de bode die – zover zij kon liplezen – zei dat hij niet de hele minuut de tijd had.

‘Zeg, hoe kom jij in mijn achtertuin?’ riep ze verbaasd.

‘Je magische hek is door de storm van gister omgewaaid.’ De bode probeerde het recht te zetten, maar zijn magische kwaliteiten waren nog steeds niet om over naar huis te schrijven. Delamora zette haar achtertuin met een elegante toverstokbeweging helemaal recht.

‘De dwergen zijn op hun weg terug,’ zei de bode snel.

‘Ah, mooi. Wacht eens even – waar waren ze heen dan? Wanneer komen ze terug? Waarom gingen ze daarheen?’

‘Ik heb niet de hele minuut de tijd!’ De bode flitste weg.

Ze schudde haar hoofd. Vandaag besloot ze te lopen naar het plein, in plaats van teleporteren. Het was lekker weer, en misschien kwam ze nog mooie bloemen, kruiden of andere ingrediënten tegen. Daarnaast was de winkel nu al dagenlang gesloten en kwamen er niet zoveel klanten meer. Die werden namelijk toch steeds teleurgesteld met een dichte deur en magisch onkruid dat de weg versperde. Waarschijnlijk moest ze binnenkort weer een nieuwe reclamecampagne beginnen.

Ze zette een paar stappen en moest al hijgen. Ze probeerde het opnieuw, maar met haar kont was er geen beginnen aan. Met haar vingers produceerde ze een hoog fluitgeluid, een zelf uitgevonden feeën-lokroep, en uit de bosjes voor haar sprong een hert.

Ze sprong op zijn rug. Het hert had er duidelijk moeite mee, maar het kreeg haar tussen de bomen van het bos door, richting het grote plein van Delamoradorp. Het was al jaren geleden dat ze deze route had genomen. Het eerste wat opviel was een grote verandering op het voorpleintje. Vroeger was het een lang, dun, modderig zandpad, maar nu was het allemaal netjes, van steen, en zelfs gedecoreerd met prachtige blauwe fonteinen. Daaromheen stonden echter nog precies dezelfde winkels, met precies dezelfde bomen, struiken en planten eromheen.

Het hert was nu gewend aan de zware last en versnelde. Enkele voorbijgangers, grotendeels net wakker geworden winkeliers, groetten haar hartelijk. Delamora was blij verrast, hoewel ze rekening hield met dat ze misschien haar hert aan het begroeten waren, in plaats van haarzelf. Ze wist niet eens of deze feeën haar nog zouden herkennen.

Het hert nam plots een scherpe afslag, en kwam via een binnenweg bij het grote plein, herkenbaar aan de gigantische, oude boom in het midden. Binnen tien minuten was ze op haar bestemming, waarna het hert haar ietwat hardhandig van zich afschudde. Nu ging ze eens een hoop vragen beantwoorden: waarom was gisternacht het dorp nog levendig, wat is er met de dwergen … en wie is die vreemde vent die op haar afloopt? Ze wilde het gemeentehuis inlopen toen iemand haar weg versperde.

‘Delamora! Goed om jou weer te zien! Wat doet u op zo’n dag als deze op het grote plein? Cupcake-winkeltjes kunnen vandaag enorme winsten behalen!’

‘Och, grutjes, je hebt gelijk ook. Ik dacht gewoon: ik heb al tijden weinig contact meer met de buurt, dus ik ging weer eens langs, want niets is waardevoller dan familie!’

‘Mooi gesproken, Delamora.’ Treppo wist even niet wat hij moest zeggen. Maar hij wilde eigenlijk niet dat ze het gemeentehuis binnenkwam.

‘En wat doet u hier, als ik vragen mag? En mag ik zo vrij zijn te vragen wie u eigenlijk bent?’

‘Ben ik dat helemaal vergeten? Ik ben Treppo, neef van de burgemeester. Ik kom hier om de burgemeester zijn wekelijkse advies te geven.’

Tijdens hun gesprek liepen ze samen de trap op. Treppo deed alsof hij last had van zijn knie en deed een eeuwigheid over elke trede. Eenmaal boven leek deze pijn verdwenen, en snelde Treppo via een verscholen deur het gebouw in, terwijl hij nog ‘Tot ziens!’ riep.

Het is vast de personeelsingang, dacht ze. Het gemeentehuis was het nieuwste gebouw van het dorp, en dat zag je ook aan de gebruikte magie. Overal werkten wezens in kantoortjes aan allerlei projecten, en wanneer iets af was gooiden ze de papieren de lucht in. Ze zweefden netjes in een rechte lijn naar gaten in het plafond, die ze controleerden en via een tunnelstelsel naar de juiste ontvanger stuurden.

Ook waren de muren en vloeren gemaakt van kameleonsteen, tegenwoordig omgedoopt tot schildsteen. Dit reageerde op magische invloed van buiten. Het was van zichzelf beige, en als er niks aan de hand was schitterde het groen, maar als er gevaarlijke magie aanwezig was sloeg het oranje, rood, paars, dreigend blauw uit.

De reden van de naamsverandering was een verbetering die uitgevonden was door Pien Kevelien. Inmiddels werkte het steen ook als schild, en als het schild dreigt te breken, wordt het hele gemeentehuis ineens onzichtbaar.

Het kantoortje voor haar kwam vrij en Delamora vroeg of ze de burgemeester kon spreken. Nog voor de mevrouw achter de balie kon antwoorden, stond Treppo weer naast haar.

‘Ik ben bang dat de burgemeester geen tijd heeft! Er zijn hele belangrijke zaken op het moment! Daarnaast: de dwergen komen eraan. Binnen een half uur zal een vergadering plaatsvinden in het clubhuis naast de bakker. Gaat u maar alvast!’

Het duurde even voordat ze al deze informatie had verwerkt. ‘Ja … ja … ja natuurlijk. Tot zo! Trapper, was het niet?’

‘Bijna, bijna.’ Treppo verdween alweer door een ander verstopt gat in de wand.

Delamora had geen zin om een half uur te wachten. Eenmaal buiten zag ze in de verte de bakker zijn winkel openen. Ze dacht dat hij vast heel boos was, misschien zelfs een complot tegen haar had opgezet, maar ze had toch echt brood nodig. Met deze gedachte liep ze boos en vurig over de brug, langs de rij bomen, bijna tegen het bankje, de bakkerswinkel in.

‘Ah Delamora,’ zei Henk, ‘ik zie dat je deze keer de vooringang hebt ontdekt, die ik net heb gerepareerd.’

‘Bakker, ik wil weer met je spreken!’

‘Alles is al gezegd, Delamora,’ zei hij rustig. ‘En noem me maar Henk. Ik heb je niks meer te vertellen. Ik ben niet boos, ik wil simpelweg niet in het verleden blijven hangen.’

Ze wilde zich herpakken, maar de woede was eigenlijk al weggeëbd. Uiteindelijk bestelde ze in complete stilte, met behulp van geïmproviseerde gebarentaal, een stuk brood dat ze buiten opat. Ze werd meteen omringd door een massa fostduiven en gaf zoveel mogelijk kruimels aan hen.

Voor ze het wist was de tijd om en begon de vergadering. Dit wist ze omdat de bakker zijn winkel uitstapte, zijn klanten ook eruit duwde, en het bordje omdraaide naar gesloten. Toen Henk haar zag zitten, besloot hij toch te vragen of ze meeging. Delamora knikte en liep samen met hem naar het clubhuis.

Er zijn (nog) geen reacties.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.